Helaas ziet dat soort attracties er altijd spectaculair uit, maar blijkt na afloop dat je die laatste smoutebol toch niet meer had moeten binnenspelen. Ook op ‘Last Night on Earth’ is het de overdaad die schaadt en worden een aantal in wezen best leuke nummers vakkundig om zeep geholpen door overdreven ijver. Zo is ‘Life is Life’ een chaotische collage van wat wel drie verschillende nummers lijken, die zelfs elk apart het gewicht van platitudes als “It feels like his new life can start / And it feels like heaven” niet kunnen dragen. Ook ‘Waiting for My Chance to Come’ steekt stevig van wal met een opwekkende viool en wat flarden Paul Simon ten tijde van Graceland, maar het refrein en de samenzang weten niet helemaal te overtuigen en de elektronica is er al helemaal een ongewenste gast.
Dat is hij overigens zowat op de hele plaat, waar overmatige productie en sluimerende elektronische inbreng voor een te afgelikt geluid zorgen. Het meest acute voorbeeld van dat euvel is ‘Give it All Back’: de absolute stinker van de plaat begint nochtans kinderlijk leuk met een marimba, maar steelt iets te schaamteloos de nostalgische thematiek van Bryan Adams ‘Summer of ‘69’ en klinkt uiteindelijk als een flauw afkooksel van Mika. En dat is op zich al een weinig benijdenswaardige referentie, dan mogen Charlie en co. nog zo netjes “influences like Bruce and the Band” aanhalen. Ook ‘Tonight’s the Kind of Night’ zorgt an sich wel voor een golf van euforie, maar het overenthousiaste achtergrondkoor laat je wat verdwaasd achter. Beetje als buikpijn na een raid op de snoepwinkel, en je krijgt er nog gaatjes van ook.
Toch hebben Noah and the Whale ook voor een aantal songs gezorgd waar zelfs de strengste tandarts geen bezwaar zou tegen hebben. Het lome, zweverige ‘Wild Thing’ zouden we op een andere plaat misschien een beetje saai durven noemen, maar is hier tussen al dat elektronicageweld eerder een verademing. En bovendien ook een mooi staaltje songwriting: Fink wou er naar eigen zeggen een Twin Peakssfeertje aan geven en het uiteindelijke resultaat zou in elk geval niet hebben misstaan op de radiovriendelijke versie van Nick Caves ‘Murder Ballads’. Ook op eerste single ‘L.I.F.E.G.O.E.S.O.N.’ - zowat de meest onmogelijke titel om op je toetsenbord te toveren - schakelen de Londenaars een versnelling lager en komen zo aardig in de buurt van het hitpotentieel van ‘5 Years Time’.
Het is dan ook geen toeval dat net die nummers waar Noah and the Whale alle overdadige elektronica weren, de sterkhouders van dit album vormen. Het instrumentale ‘Paradise Stars’ is een parel van een pianoballad die wat ons betreft te snel voorbijvliegt en op ‘Just Me Before We Met’ zorgt de fijne viool in combinatie met Finks breekbaar melancholische stem voor één keer niet voor tragiek, wel voor ontwapenende charme.
Die paar gezonde tussendoortjes brengen echter niet genoeg evenwicht in de voedselpiramide van de hele plaat en mierzoete afsluiter ‘Old Joy’ doet de balans uiteindelijk faliekant in de verkeerde richting omslaan. Het is zo’n cliché dat je het als recensent amper nog durft bovenhalen, maar iemand had Fink and friends er toch eens aan mogen herinneren dat less echt wel more is. En als u ons nu wil excuseren, wij moeten dringend onze tanden gaan poetsen.
Noah and the Whale staan op 19 april in de kleine zaal van de AB.
Hopelijk laten ze dan die electronica achterwege.
