dinsdag 8 maart 2011

Noah and the Whale: Last Night on Earth

muzikale snoepwinkel, gaatjes incluis

Een muzikale kameleon is ie wel, die Charlie Fink. ‘Peaceful the World Lays Me Down’, het debuut van Noah and the Whale klonk met zijn arsenaal aan ukuleles, banjo’s en andere fantasierijke instrumenten als de uitgemeten soundtrack van zowat elke film met Michael Cera of Zooey Deschanel - artiefartieindie quoi, terwijl ‘The First Days of Spring’ naast het meelijwekkende relaas van Finks breuk met Laura Marling ook een voorzichtige duik in de wereld van de postrock was. En ja hoor, ook op hun derde plaat, ‘Last Night on Earth’, maken Noah and the Whale een radicale muzikale ommekeer waarvoor je op de kermis enkel de echte durvers kan warm maken.

Helaas ziet dat soort attracties er altijd spectaculair uit, maar blijkt na afloop dat je die laatste smoutebol toch niet meer had moeten binnenspelen. Ook op ‘Last Night on Earth’ is het de overdaad die schaadt en worden een aantal in wezen best leuke nummers vakkundig om zeep geholpen door overdreven ijver. Zo is ‘Life is Life’ een chaotische collage van wat wel drie verschillende nummers lijken, die zelfs elk apart het gewicht van platitudes als “It feels like his new life can start / And it feels like heaven” niet kunnen dragen. Ook ‘Waiting for My Chance to Come’ steekt stevig van wal met een opwekkende viool en wat flarden Paul Simon ten tijde van Graceland, maar het refrein en de samenzang weten niet helemaal te overtuigen en de elektronica is er al helemaal een ongewenste gast.

Dat is hij overigens zowat op de hele plaat, waar overmatige productie en sluimerende elektronische inbreng voor een te afgelikt geluid zorgen. Het meest acute voorbeeld van dat euvel is ‘Give it All Back’: de absolute stinker van de plaat begint nochtans kinderlijk leuk  met een marimba, maar steelt iets te schaamteloos de nostalgische thematiek van Bryan Adams ‘Summer of ‘69’ en klinkt uiteindelijk als een flauw afkooksel van Mika. En dat is op zich al een weinig benijdenswaardige referentie, dan mogen Charlie en co. nog zo netjes “influences like Bruce and the Band” aanhalen. Ook ‘Tonight’s the Kind of Night’ zorgt an sich wel voor een golf van euforie, maar het overenthousiaste achtergrondkoor laat je wat verdwaasd achter. Beetje als buikpijn na een raid op de snoepwinkel, en je krijgt er nog gaatjes van ook.

Toch hebben Noah and the Whale ook voor een aantal songs gezorgd waar zelfs de strengste tandarts geen bezwaar zou tegen hebben. Het lome, zweverige ‘Wild Thing’ zouden we op een andere plaat misschien een beetje saai durven noemen, maar is hier tussen al dat elektronicageweld eerder een verademing. En bovendien ook een mooi staaltje songwriting: Fink wou er naar eigen zeggen een Twin Peakssfeertje aan geven en het uiteindelijke resultaat zou in elk geval niet hebben misstaan op de radiovriendelijke versie van Nick Caves ‘Murder Ballads’. Ook op eerste single ‘L.I.F.E.G.O.E.S.O.N.’ - zowat de meest onmogelijke titel om op je toetsenbord te toveren - schakelen de Londenaars een versnelling lager en komen zo aardig in de buurt van het hitpotentieel van ‘5 Years Time’.

Het is dan ook geen toeval dat net die nummers waar Noah and the Whale alle overdadige elektronica weren, de sterkhouders van dit album vormen. Het instrumentale ‘Paradise Stars’ is een parel van een pianoballad die wat ons betreft te snel voorbijvliegt en op ‘Just Me Before We Met’ zorgt de fijne viool in combinatie met Finks breekbaar melancholische stem voor één keer niet voor tragiek, wel voor ontwapenende charme.

Die paar gezonde tussendoortjes brengen echter niet genoeg evenwicht in de voedselpiramide van de hele plaat en mierzoete afsluiter ‘Old Joy’ doet de balans uiteindelijk faliekant in de verkeerde richting omslaan. Het is zo’n cliché dat je het als recensent amper nog durft bovenhalen, maar iemand had Fink and friends er toch eens aan mogen herinneren dat less echt wel more is. En als u ons nu wil excuseren, wij moeten dringend onze tanden gaan poetsen.


Noah and the Whale staan op 19 april in de kleine zaal van de AB. 
Hopelijk laten ze dan die electronica achterwege.

zondag 6 maart 2011

Yevgueni: Welkenraedt

krachtige herkenbaarheid

“Dag ventje met de fiets op de vaas met de bloem - ploem ploem” schrijft Paul Van Ostaijen in het weergaloos eenvoudige gedicht ‘Marc groet ’s morgens de dingen’. Eenzelfde sfeer roept voor ondergetekende het oeuvre van Yevgueni op: de kracht van het Nederlands is hier haar herkenbaarheid en hoewel Klaas Delrue geen diepfilosofisch dichter is, toont hij zich wel keer op keer een begenadigd songschrijver. Een keizer van het detail ook, waardoor nummers als ‘Als ze lacht’ en ‘Manzijn’ er in het verleden al moeiteloos in slaagden een vaste stek in onze harten te veroveren.

Met ‘Welkenraedt’ brengt Yevgueni, Vlaanderens kleinkunsthoop in bange dagen, ondertussen haar vierde plaat uit, al valt het leeuwendeel van de nummers hier nog bezwaarlijk in dat vakje onder te brengen. Zanger Klaas Delrue mag dan wel opkomen voor Groen!, op muzikaal vlak hebben ze de geitenwollen sokken al lang opgeborgen en ongetwijfeld zit producer Stef Kamil Carlens van Zita Swoon daar voor iets tussen. Zo is het titelnummer er één met een behoorlijke weerhaak - al had dat vreemdsoortige experimentje op het einde voor ons niet gehoeven, neigt ‘Lege handen’ met zijn warrige intro zelfs voorzichtig naar Radiohead en krijgt ook eerste single ‘Was er maar iemand’ naast een leuke twist een opvallend gruizelige finale aangemeten.

Maar niet gevreesd, tegelijk geeft Yevgueni naar aloude traditie ook op ‘Welkenraedt’ de lente een duwtje in de rug. ‘Elisa’ zorgt van bij de eerste noten voor een stevige injectie Vitamine D en die fractie van een seconde ingehouden spanning voor het refrein losbarst is van het opwindendste dat wij in tijden gehoord hebben. Met kinderlijk enthousiasme declameert Delrue zijn schrijfsels, waardoor zelfs enigszins platgetreden paden als “Ik hoor je niet, maar ik heb je wel begrepen” uit zijn mond overtuigend klinken. Andere tradities worden evengoed in ere gehouden en zo vergast Yevgueni ons ook op hun vierde langspeler op een verrassende cover. Samen met de brommende stem van Jan De Wilde wagen ze zich aan Eels’ ‘Beautiful Freak’, maar we moeten toegeven dat we niet zo goed weten wat uiteindelijk van ‘Zalige Zot’ te denken.

Op andere vlakken is onze mening dan weer wel zeer uitgesproken, zoals in het geval van ‘Veel te mooie dag’ - dat trouwens opvallend veel weg heeft van het weergaloze 'Packing Blankets' van diezelfde Eels. Net zoals de zon te hard scheen op de dag dat goede vriendin Yasmine het tijdelijke voor het eeuwige inruilde, klinkt de gitaar hier te vrolijk voor het intrieste verhaal. Het Nederlands mag dan vaak als euvel voor goede popmuziek gezien worden, maar zorgt er hier enkel voor dat de hartbrekende boodschap nog acuter aankomt. Ook ‘Verder zonder haar’ klinkt opvallend opwekkend voor het relaas van wat Delrue laconiek “een echte wereldramp” noemt en met een aardige woordspeling zet hij ons op het verkeerde been. Dit keer geen liefdesverdriet, wel een vervaarlijk terugwijkende haarlijn.

Met de nodige uiterlijke ongemakken worden de mannen van Yevgueni groot en zo ook het ondertussen met het behangpapier van hun oeuvre versmolten personage Robbie. Zoals het hoort is ‘Robbie en de aftocht’ verre van een vrolijk nummer over gemiste kansen, spijt en “doodgewoon vergeten waar je nu had willen staan / en waarom het dan zo anders is gegaan”, door de strijkers op het einde met een extra laagje bitterheid overgoten. De beste metafoor voor opgroeien vinden we echter terug op ‘Hofstraat’, waar Delrue er met enkele rake woorden - een sponzen broek, een tunnel en een sportpaleis - in slaagt een heel nostalgisch universum op te roepen. “Ik huil niet mee, ik ben al groot” zingt hij, maar vergeef het ons als Yevgueni bij ons op tijd en stond toch nog voor een krop in de keel kan zorgen.