zondag 26 december 2010

The Final Countdown

Jepla, het is weer bijna tijd voor veel te veel gourmet,  decadente desserts, een overdosis champagne en vuurwerk. Maar eindejaar is vooral de tijd van de lijstjes, dus mijn overzicht kon ook zeker niet ontbreken.


      2010 was het jaar van The National, laat daar geen twijfel over bestaan. Ik was al langer verknocht aan de bariton van Matt Berninger en ‘Start A War’ heeft mij  door de nodige porties liefdesverdriet gesleurd, maar met ‘High Violet’ heb ik er een heel album nieuwe heartbreak songs bij. Voor de  overweldigende schoonheid die van de nummers uitgaat, bestaan geen woorden. Of toch, kippenvel!
   
     
     
2) Titus Andronicus - The Monitor

De explosieve tweede van Titus Andronicus is niet alleen een adrenalinebom om ADHD tegen te zeggen, maar ook een soort muzikale Trivial Pursuit. Muziek voor betweters als ik, vol verwijzingen naar historische speeches van Abraham Lincoln en Walt Whitman, naar de enige echte Bruce Springsteen, maar evengoed naar de moderne popcultuur van ‘The Dark Knight’. “This town deserves a better class of criminals, well I’m gonna give it to them tonight!”
   
    

      3) The Tallest Man On Earth - The Wild Hunt
Zweed van het jaar is voor mij niet Robyn - al komt ze wel in aanmerking als workaholic van 2010 - maar de stiekem niet zo lange Kristian Matsson. The Tallest Man On Earth heeft aan een gitaar, bliksemvlugge vingers en een stem die nog nasaler kinkt dan Dylan genoeg om mij een heel album lang achterover te blazen. ‘King of Spain’ barst van de levensvreugde en ‘Love Is All’ tovert dan weer keer op keer tranen in mijn ogen.
 

     4) These New Puritans - Hidden
Mijn eindejaarslijst pendelt opvallend heen en weer tussen rustige, hartverscheurende platen en albums die je genoeg energie geven om zelfs de meest donkere winter door te komen. ‘Hidden’ is er duidelijk één van de tweede soort en hoewel These New Puritans op Pukkelpop een beetje teleurstelden, voelt ‘Attack Music’ elke keer weer aan als een uppercut waar Sugar Jackson jaloers op zou zijn. 
     

      5) Arcade Fire - The Suburbs
De release van ‘The Suburbs’ is deze zomer een beetje aan mij voorbij gegaan, waarschijnlijk omdat ik toen in voorbereiding op Pukkelpop een hele maand ‘High Violet’ grijsgedraaid heb. Maar Arcade Fire mocht als mijn favoriete band van het voorbije decennium niet in dit lijstje ontbreken, in volle kerststemming heb ik ze dus nog een kans gegeven. ‘The Suburbs’ mist  voor mij grote kleppers als ‘No Cars Go’ of ‘Rebellion Lies’, maar alle nummers zijn zo perfect op elkaar afgestemd dat de Canadezen me toch voor de derde keer op rij wisten te overtuigen.
  
     
    
      6) Grinderman - Grinderman II
Alleen al voor de schitterende album art (die gladiatorpakjes!) verdient deze brok testosteron een plekje in de annalen van 2010. Op hun titelloze eerste lieten Cave en co. al eens de oerman in zich los, maar daar bleef het vooral bij beheerste dreiging die in ‘Go Tell the Women That We’re Leaving’ haar hoogtepunt bereikte. De explosie volgt hier op ‘Grinderman II’, waar Cave al zijn demonen met zijn stembanden te lijf gaat. Proefondervindelijk bewezen:  meekwelen op ‘Heathen Child’ is dé oplossing voor elke pendelaar die wil vermijden zijn NMBS-gerelateerde frustraties op zijn medereizigers te botvieren.

    

      7) Yeasayer - Odd Blood
De lege batterij van mijn GSM zorgde er op Pukkelpop voor dat ik het concert van Yeasayer moederziel alleen - in een enthousiast rondspringende massa uiteraard - mocht aanschouwen, maar al gauw trok ik me daar niets meer van aan en stond ik al even enthousiast mee te springen. ‘Odd Blood’ is een energiek, eclectisch en elektronisch stukje muziek dat je  terugvoert naar de betere momenten van de eighties. Eentje waarop het onmogelijk gebleken is stil te zitten.
     
 
      8) Vampire Weekend - Contra
Nog zo ‘n plaat waarop je gewoon als een kip zonder kop moet rondspringen en alle ledematen een kans krijgen om de kamer te verkennen. Vampire Weekend zet de traditie van Paul Simon aardig verder, maar weet op zijn tweede album evengoed een gevoelige snaar te raken. ‘I Think Ur A Contra’ is traag en dromerig, maar vooral meeslepend als een tsunami.
     

      9) Isobel Campbell & Mark Lanegan - Hawk
Op een podium ontbreekt soms de chemie bij deze moderne Belle en het Beest, maar op plaat druipt de magie tussen Campbell en Lanegan er in bakken af. Wat daarom niet betekent dat Willy Mason hier een ongewenste gast is, of dat Campbell zonder het schuurpapieren geweld van Lanegan hopeloos verloren is. ‘Time of the Season’ is overigens de perfecte soundtrack om - samen met de mopjes van de obligate zatte nonkel - die vervelende familiefeesten op te vrolijken.

     
  
            10) Laura Marling - I Speak Because I Can
Nog eens een rustpunt aan het einde van het jaar, een vrouw met haar gitaar. Daar waar The Tallest Man On Earth wervelend gitaarspel combineert met dito teksten, laat Laura Marling vooral haar warme stem primeren. Niet dat de lyrics ervoor moeten onderdoen, want ‘I Speak Because I Can’ getuigt van een indrukwekkende levenswijsheid bij de nog steeds maar twintig jaar oude Marling.
     

vrijdag 24 december 2010

Later, als ik groot ben…

Consternatie alom, toen ik vanochtend voor de spiegel een eerste grijs haar in mijn verder weelderige haardos bespeurde. Mijn lichaam probeert me duidelijk te maken wat mijn hoofd al een tijdje probeert te onderdrukken: ik word oud. De rimpels op mijn voorhoofd zijn voorlopig op de vingers van één hand te tellen en ook de rollator kan ik nog even achterwege laten, maar 23 lentes is toch niet niks. Om van die zomers, herfsten en winters nog maar te zwijgen.

Toen ik nog een ukkie was, waren mensen van 23 voor mij bejaarden die bij de minste opwinding naar hun stoma moesten grijpen - al kende ik dat woord hoogstwaarschijnlijk nog niet. Ook toen ik de gezegende leeftijd van 13 bereikt had en mezelf dus tot het rijk der tieners mocht rekenen, leek iedereen die al 23 jaar op deze aardbol rondzwierf, op zijn minst een echtgenoot en meestal ook het nodige nageslacht vergaard te hebben. En zelfs op mijn achttiende verjaardag - toen ik alvast officieel meerderjarig werd - had ik lichtjes andere plannen in het achterhoofd voor mijn 23-jarige zelve. Een job, een huis en liefst ook iemand om dat samen met mij te bewonen, dat leek me nu niet meteen te veel gevraagd.

Wel, is me dat even anders uitgedraaid. Na bijna 6 jaar studeren heb ik wel 3 diploma’s op zak, maar ik woon nog steeds op een armtierig kot. Zonder man om  de afwas te doen of het gras af te rijden - misschien nog een geluk dat ik niet vaak zelf kook en geen tuin heb. Maar er is beterschap in zicht, want vanaf september 2011 wordt mijn Gentse alma mater ook officieel mijn werkgever. Een aantrekkelijk salaris durf ik best een goede stap noemen in de richting van een eigen appartement en als ik dat gezellig inricht - en wat aan mijn kookkunsten schaaf - komt er ooit wel iemand dat lege plekje naast mij in bed opvullen.

September 2011 begint dus ook voor mij het Echte Leven. Alleen staan die hoofdletters daar niet om aan te tonen hoe hard ik sta te popelen om volwassen te worden, maar eerder om dat hele gedoe toepasselijk naast andere horrorklassiekers als Dracula en Frankenstein te klasseren. Een job brengt niet alleen geld mee, maar plots ook angstaanjagend veel verantwoordelijkheid. Zorgen ook wel. En laat dat nu net iets zijn waar ik voorlopig in ware Peter Panstijl in een grote boog omheen gelopen ben. Als veredelde anderhalve meter heb ik de hoop ooit letterlijk groot te worden al lang opgeborgen, maar ook figuurlijk hoeft het voor mij zo’n vaart niet te lopen.

Ik heb nog minstens 41 jaren te gaan als werkmens en er wacht me nog een heel leven om een zielsgenoot te vinden, daar kindjes mee te maken en dan te besluiten dat hij tóch niet zo bij me past en er een nieuwe te zoeken. Laat me dus nog maar even onbezonnen student en single zijn. Mijn grootste zorg - op die dreigende deadline na - is wat straks de pot schaft. Mamaaaaaa?

zaterdag 18 december 2010

Billy Elliot op speed

Op weg naar de AB moest menig pendelaar een ware sneeuwstorm trotseren en misschien zaten de stevig onderkoelde voetjes er wel voor iets tussen, maar er werd  donderdag in de Brusselse concertzaal aardig wat rondgehost. Het publiek was gekomen om zich te warmen aan de zomerse deuntjes van The Drums, maar ook het dubbele voorprogramma kreeg de aarzelend toestromende meute in beweging. 

Zo zagen drie man, een paardenkop en ondergetekende het Deense duo Champagne Riot een heuse eighties revival starten. Muzikaal zat het met bitterzoete melodieën wel snor, maar aan de podiumprésence mag nog wat gewerkt worden. Of we zouden bijna gaan geloven dat het muzikale brein doodleuk patience aan het spelen was op zijn laptop. Hoewel hij over ‘Stage Fright’ zingt, was daar bij de tweede act van de avond weinig van te merken. Patrick Cleandenim kwam het podium opgeschreden als een incarnatie van de dood uit Bergmans ‘Seventh Seal’, maar dan met cowboyhoed. Ook hier één en al eighties wat de klok sloeg, al was dat decennium plots nog een pak donkerder getint. Wij onthouden vooral het dramatische ‘Little Baby Party’ - elk nummer waarin Béla Lugosi opduikt, heeft bij ons namelijk een streepje voor.

Qua over the top performance kan echter niemand tippen aan Jonathan Pierce. De frontman van The Drums leek in zijn trainingsvestje vervaarlijk op cultheld Pico en deed ons met zijn absurde danspasjes en algehele overgave nog het meest denken aan Billy Elliott op speed. Een toevallige passant zou bijna vermoeden op de audities voor ‘So You Think You Can Dance’ verzeild te zijn, want ook gitarist Jacob Graham fladderde als een bezetene over het podium. Het oog wil ook wat en kreeg dat zeker met de capriolen van de stichtende leden van The Drums, maar uiteindelijk moest er toch vooral muziek gemaakt worden.


En daar wrong af en toe het schoentje, want het concert ontaardde al snel in chaos. Openingstrio ‘Best Friend’, ‘Submarine’ en ‘Book of Stories’ was moeilijk van elkaar te onderscheiden en op ‘Make You Mine’ verzonk de stem van Pierce bijna volledig in de kakofonie van de andere muzikanten. Al schreeuwde die laatste zich nog zo de ziel uit het lijf en was het ons niet helemaal duidelijk of en hoe gitarist Graham er in godsnaam in slaagde zijn getrippel ook effectief met getokkel te combineren. Zomerhitje ‘Let’s Go Surfing’ - één van de twee nummers die de overstap van EP naar album overleefd hebben - zorgde een eerste keer voor ambiance en tijdens ‘I Need Fun In My Life’ dook Pierce halvelings het publiek in. 

Tijdens ‘Don’t Be A Jerk, Johnny’ moest even van die bokkensprongen bekomen worden. Het nummer werd ingehouden en beheerst gebracht - voor zover dat met het repertoire van The Drums te rijmen valt- en zorgde daardoor voor het eerste echte hoogtepunt. ‘Forever and Ever Amen’ werd dan weer energiek en overtuigend gebracht, en opgedragen aan het nog steeds enthousiast rondspringende publiek. Afsluiten deden The Drums met het melancholische ‘We Tried’, waarvan de tekst - “Where will we go when we get old?” - ons vooral deed afvragen of Pierce en co. binnen pakweg 10 jaar nog altijd zulke spring-in-’t-velds zullen zijn.

Ons niet gelaten, mens sana in corpore sano weet u wel. Alleen mogen we hopen dat ze tegelijk een beetje aan het samenspel binnen de groep werken, zodat hun nummers live ook even zomers klinken als op plaat. Tijdens bisnummer ‘Down By the Water’ vergastte Graham ons zelfs op een staaltje interpretative dance om U tegen te zeggen, maar het is een teken aan de wand dat het vooral die danspasjes zijn die ons nog wel even zullen bijblijven. Wat de muziek betreft niet meteen een passage voor de geschiedenisboeken.

Oh, en voor wie die danspasjes zelf eens wil beoordelen, hieronder alvast de clip voor Best Friend. Al is het live nog minstens 10 keer erger.

Ik heb altijd gelijk, tenzij u me van het tegendeel kan overtuigen!

Bijna Kerstmis, dus ik vraag mijn virtuele publiek om een goed doel te steunen. Music For Life is me wat te mainstream - al ga ik daar op de Groenplaats deze week ongetwijfeld ook een warme chocomelk komen drinken, dus hou ik het wat dichter bij huis. Een opmerkzaam lezer heeft ondertussen zelf ook al gemerkt dat ik mijn bescheiden schrijfkunsten af en toe uitleen aan het online muziekmagazine Digg*. Traditie wil dat ook wij van de muziekredactie op het einde van het jaar door de nodige lijstjesgekte overvallen worden en  plichtsbewust een overzicht maken met wat volgens ons dé platen van 2010 zijn.

Maar rust roest, dus hebben we besloten dit jaar dat hele concept overhoop te gooien. Weg met de overheersing van de elite der indies, vanaf dit jaar mag ook ons publiek mee stemmen. En wel via deze link! Voor u, eigenzinnige lezer van mijn cultureel geïnspireerde blog, de ideale gelegenheid om zelf ook eens uw gedacht te zeggen. Aan de karige reacties op mijn blog kan ik afleiden dat mijn publiek ofwel geen mening heeft, ofwel te bang is om mij tegen te spreken. Aangezien ik vooral dat laatste niet geheel onbegrijpelijk acht, via een omweg toch nog de mogelijkheid het niet met mij eens te zijn. Onder de veilige vleugel der anonimiteit dan nog. U weet wat u te doen staat!

donderdag 16 december 2010

Never got cold wearing nothing in the snow

Hoewel ik een enorme arty farty indie nerd ben -om het met de woorden van een kritische kennis te zeggen- liggen in mijn kast toch maar drie bandshirts. Niet alleen omdat die dingen onmenselijk duur zijn, ongetwijfeld in een Thaise sweatshop gemaakt worden en veelal als een parachute rond je lichaam zweven, maar ook omdat ik die eer voor een select clubje wil bewaren. Uiteraard hoort vleermuis Nick Cave daarbij, maar het is buiten al donker genoeg zonder een extra laagje zwartgalligheid. Ook The Tallest Man on Earth ligt sinds kort te pronken in mijn kleerkast, maar aan die niet eens zo lange Zweed kan je hieronder al een ode lezen.

Nummer drie dus en die lichtjes geniale band is meteen ook de ultieme remedie tegen de winter, die de temperaturen buiten en ook mijn humeur ver onder nul houdt. Ik ben vast niet de enige die The Shins leerde kennen dankzij de soundtrack van Garden State. En dan vooral dankzij deze melige en toch memorabele scene waar Natalie Portman beweert dat de band, en hun nummer New Slang haar leven veranderd hebben.

.

Ondanks -of net dankzij- die elfenoortjes kan ook ik Natalie Portman onmogelijk ongelijk geven en dus ging ik als overenthousiaste puber op zoek naar méér Shins. Die vond ik in de 'platenwinkel' - ahum- en al snel werd ik ondergedompeld in een zeemzoete melancholie zoals ik die daarvoor enkel bij Eels had gehoord. New Slang van hierboven doet je wegzweven naar zonnigere tijden zonder deadlines, maar slaat je tegelijk murw door dat eerie sfeertje.

The Shins maken echter vooral nummers die je probleemloos weer oppikken uit je winter -of whatever- blues en je als een bezetene in het rond doen springen. Dat doen ze met aanstekelijke refreintjes, wat occasioneel gefluit en vooral veel handengeklap. Probeer maar eens stil te zitten op Caring is creepy, Know your onion of Kissing the lipless. Maar mijn persoonlijke favoriet blijft toch So Says I, dat echt alle ingrediënten heeft om je door twintig opeenvolgende Siberische winters te sleuren. Dat geratel! Die filosofische boodschap! Die dreunende gitaren! Maar vooral die gilletjes!

'Cause this is nothing like we'd ever dreamt
Tell Sir Thomas More we've got another failed attempt
'Cause if it makes them money they might just give you life this time
Whooohooohooowhoohoo!


woensdag 15 december 2010

Sad but true



Geweldig geanimeerd filmpje over een fenomeen dat ons dezer dagen allemaal in de ban houdt: uitstelgedrag. Want als je nog een politiek werkstuk en een interview moet afwerken, lijken de afwas en de boodschappen  meteen een pak aanlokkelijker. En toch een korte post, want ik heb nog stuff to do.


En wie liever nog een beetje procrastineert, moet zeker ook eens de andere filmpjes van Lev Yilmaz checken. Zoals daar zijn What would Penis do?

zaterdag 4 december 2010

Once upon a midnight dreary

Het is december en die maand brengt niet alleen sneeuw, een overvloed chocolade en mandarijnen en melige kerstliedjes met zich, maar helaas ook een berg deadlines. Elk zinnig mens zet zich dan achter zijn bureau en werkt stevig door om die taken op tijd af te krijgen. De procrastinators onder ons - want ik hoop dat ik niet alleen ben - houden zich dan liever bezig met alles wat niet naar school, artikels en achtergrondverhalen ruikt. En op zo'n momenten biedt het wereldwijde web uren welgekomen - maar met het oog op die deadlines ook gevaarlijk verslavende - verstrooiing.

Zo stootte ik vanmiddag op dit heerlijke stukje stop-motion animatie. Ook voor hij Johnny Depp, Helena-Bonham Carter en duizelingwekkende budgetten ter beschikking had, maakte Tim Burton al donker getinte pareltjes. In dit gedicht worden we meegezogen in de leefwereld van de jonge, op zijn zachtst gezegd bizarre Vincent. Net als zijn bedenker Tim Burton is hij dol op de duistere poëzie van Edgar Allan Poe en is horroracteur Vincent Price zijn grote idool.  Vergeet dus even dat je nog 5 minuten interview moet transcriberen, elvendertig bronnen moet opbellen en godbetert een leuk onderschrift voor je foto moet bedenken, en droom mee weg.



Hier trouwens één van de mooiste versies die ik ken van het gedicht 'The Raven' van diezelfde Edgar Allan Poe. De schuurpapieren stem van Mark Lanegan en het ijle gezang van Isobel Campbell vormen de perfecte combinatie en ondanks de Siberische temperaturen smelt ik keer op keer.