zondag 26 december 2010

The Final Countdown

Jepla, het is weer bijna tijd voor veel te veel gourmet,  decadente desserts, een overdosis champagne en vuurwerk. Maar eindejaar is vooral de tijd van de lijstjes, dus mijn overzicht kon ook zeker niet ontbreken.


      2010 was het jaar van The National, laat daar geen twijfel over bestaan. Ik was al langer verknocht aan de bariton van Matt Berninger en ‘Start A War’ heeft mij  door de nodige porties liefdesverdriet gesleurd, maar met ‘High Violet’ heb ik er een heel album nieuwe heartbreak songs bij. Voor de  overweldigende schoonheid die van de nummers uitgaat, bestaan geen woorden. Of toch, kippenvel!
   
     
     
2) Titus Andronicus - The Monitor

De explosieve tweede van Titus Andronicus is niet alleen een adrenalinebom om ADHD tegen te zeggen, maar ook een soort muzikale Trivial Pursuit. Muziek voor betweters als ik, vol verwijzingen naar historische speeches van Abraham Lincoln en Walt Whitman, naar de enige echte Bruce Springsteen, maar evengoed naar de moderne popcultuur van ‘The Dark Knight’. “This town deserves a better class of criminals, well I’m gonna give it to them tonight!”
   
    

      3) The Tallest Man On Earth - The Wild Hunt
Zweed van het jaar is voor mij niet Robyn - al komt ze wel in aanmerking als workaholic van 2010 - maar de stiekem niet zo lange Kristian Matsson. The Tallest Man On Earth heeft aan een gitaar, bliksemvlugge vingers en een stem die nog nasaler kinkt dan Dylan genoeg om mij een heel album lang achterover te blazen. ‘King of Spain’ barst van de levensvreugde en ‘Love Is All’ tovert dan weer keer op keer tranen in mijn ogen.
 

     4) These New Puritans - Hidden
Mijn eindejaarslijst pendelt opvallend heen en weer tussen rustige, hartverscheurende platen en albums die je genoeg energie geven om zelfs de meest donkere winter door te komen. ‘Hidden’ is er duidelijk één van de tweede soort en hoewel These New Puritans op Pukkelpop een beetje teleurstelden, voelt ‘Attack Music’ elke keer weer aan als een uppercut waar Sugar Jackson jaloers op zou zijn. 
     

      5) Arcade Fire - The Suburbs
De release van ‘The Suburbs’ is deze zomer een beetje aan mij voorbij gegaan, waarschijnlijk omdat ik toen in voorbereiding op Pukkelpop een hele maand ‘High Violet’ grijsgedraaid heb. Maar Arcade Fire mocht als mijn favoriete band van het voorbije decennium niet in dit lijstje ontbreken, in volle kerststemming heb ik ze dus nog een kans gegeven. ‘The Suburbs’ mist  voor mij grote kleppers als ‘No Cars Go’ of ‘Rebellion Lies’, maar alle nummers zijn zo perfect op elkaar afgestemd dat de Canadezen me toch voor de derde keer op rij wisten te overtuigen.
  
     
    
      6) Grinderman - Grinderman II
Alleen al voor de schitterende album art (die gladiatorpakjes!) verdient deze brok testosteron een plekje in de annalen van 2010. Op hun titelloze eerste lieten Cave en co. al eens de oerman in zich los, maar daar bleef het vooral bij beheerste dreiging die in ‘Go Tell the Women That We’re Leaving’ haar hoogtepunt bereikte. De explosie volgt hier op ‘Grinderman II’, waar Cave al zijn demonen met zijn stembanden te lijf gaat. Proefondervindelijk bewezen:  meekwelen op ‘Heathen Child’ is dé oplossing voor elke pendelaar die wil vermijden zijn NMBS-gerelateerde frustraties op zijn medereizigers te botvieren.

    

      7) Yeasayer - Odd Blood
De lege batterij van mijn GSM zorgde er op Pukkelpop voor dat ik het concert van Yeasayer moederziel alleen - in een enthousiast rondspringende massa uiteraard - mocht aanschouwen, maar al gauw trok ik me daar niets meer van aan en stond ik al even enthousiast mee te springen. ‘Odd Blood’ is een energiek, eclectisch en elektronisch stukje muziek dat je  terugvoert naar de betere momenten van de eighties. Eentje waarop het onmogelijk gebleken is stil te zitten.
     
 
      8) Vampire Weekend - Contra
Nog zo ‘n plaat waarop je gewoon als een kip zonder kop moet rondspringen en alle ledematen een kans krijgen om de kamer te verkennen. Vampire Weekend zet de traditie van Paul Simon aardig verder, maar weet op zijn tweede album evengoed een gevoelige snaar te raken. ‘I Think Ur A Contra’ is traag en dromerig, maar vooral meeslepend als een tsunami.
     

      9) Isobel Campbell & Mark Lanegan - Hawk
Op een podium ontbreekt soms de chemie bij deze moderne Belle en het Beest, maar op plaat druipt de magie tussen Campbell en Lanegan er in bakken af. Wat daarom niet betekent dat Willy Mason hier een ongewenste gast is, of dat Campbell zonder het schuurpapieren geweld van Lanegan hopeloos verloren is. ‘Time of the Season’ is overigens de perfecte soundtrack om - samen met de mopjes van de obligate zatte nonkel - die vervelende familiefeesten op te vrolijken.

     
  
            10) Laura Marling - I Speak Because I Can
Nog eens een rustpunt aan het einde van het jaar, een vrouw met haar gitaar. Daar waar The Tallest Man On Earth wervelend gitaarspel combineert met dito teksten, laat Laura Marling vooral haar warme stem primeren. Niet dat de lyrics ervoor moeten onderdoen, want ‘I Speak Because I Can’ getuigt van een indrukwekkende levenswijsheid bij de nog steeds maar twintig jaar oude Marling.
     

vrijdag 24 december 2010

Later, als ik groot ben…

Consternatie alom, toen ik vanochtend voor de spiegel een eerste grijs haar in mijn verder weelderige haardos bespeurde. Mijn lichaam probeert me duidelijk te maken wat mijn hoofd al een tijdje probeert te onderdrukken: ik word oud. De rimpels op mijn voorhoofd zijn voorlopig op de vingers van één hand te tellen en ook de rollator kan ik nog even achterwege laten, maar 23 lentes is toch niet niks. Om van die zomers, herfsten en winters nog maar te zwijgen.

Toen ik nog een ukkie was, waren mensen van 23 voor mij bejaarden die bij de minste opwinding naar hun stoma moesten grijpen - al kende ik dat woord hoogstwaarschijnlijk nog niet. Ook toen ik de gezegende leeftijd van 13 bereikt had en mezelf dus tot het rijk der tieners mocht rekenen, leek iedereen die al 23 jaar op deze aardbol rondzwierf, op zijn minst een echtgenoot en meestal ook het nodige nageslacht vergaard te hebben. En zelfs op mijn achttiende verjaardag - toen ik alvast officieel meerderjarig werd - had ik lichtjes andere plannen in het achterhoofd voor mijn 23-jarige zelve. Een job, een huis en liefst ook iemand om dat samen met mij te bewonen, dat leek me nu niet meteen te veel gevraagd.

Wel, is me dat even anders uitgedraaid. Na bijna 6 jaar studeren heb ik wel 3 diploma’s op zak, maar ik woon nog steeds op een armtierig kot. Zonder man om  de afwas te doen of het gras af te rijden - misschien nog een geluk dat ik niet vaak zelf kook en geen tuin heb. Maar er is beterschap in zicht, want vanaf september 2011 wordt mijn Gentse alma mater ook officieel mijn werkgever. Een aantrekkelijk salaris durf ik best een goede stap noemen in de richting van een eigen appartement en als ik dat gezellig inricht - en wat aan mijn kookkunsten schaaf - komt er ooit wel iemand dat lege plekje naast mij in bed opvullen.

September 2011 begint dus ook voor mij het Echte Leven. Alleen staan die hoofdletters daar niet om aan te tonen hoe hard ik sta te popelen om volwassen te worden, maar eerder om dat hele gedoe toepasselijk naast andere horrorklassiekers als Dracula en Frankenstein te klasseren. Een job brengt niet alleen geld mee, maar plots ook angstaanjagend veel verantwoordelijkheid. Zorgen ook wel. En laat dat nu net iets zijn waar ik voorlopig in ware Peter Panstijl in een grote boog omheen gelopen ben. Als veredelde anderhalve meter heb ik de hoop ooit letterlijk groot te worden al lang opgeborgen, maar ook figuurlijk hoeft het voor mij zo’n vaart niet te lopen.

Ik heb nog minstens 41 jaren te gaan als werkmens en er wacht me nog een heel leven om een zielsgenoot te vinden, daar kindjes mee te maken en dan te besluiten dat hij tóch niet zo bij me past en er een nieuwe te zoeken. Laat me dus nog maar even onbezonnen student en single zijn. Mijn grootste zorg - op die dreigende deadline na - is wat straks de pot schaft. Mamaaaaaa?

zaterdag 18 december 2010

Billy Elliot op speed

Op weg naar de AB moest menig pendelaar een ware sneeuwstorm trotseren en misschien zaten de stevig onderkoelde voetjes er wel voor iets tussen, maar er werd  donderdag in de Brusselse concertzaal aardig wat rondgehost. Het publiek was gekomen om zich te warmen aan de zomerse deuntjes van The Drums, maar ook het dubbele voorprogramma kreeg de aarzelend toestromende meute in beweging. 

Zo zagen drie man, een paardenkop en ondergetekende het Deense duo Champagne Riot een heuse eighties revival starten. Muzikaal zat het met bitterzoete melodieën wel snor, maar aan de podiumprésence mag nog wat gewerkt worden. Of we zouden bijna gaan geloven dat het muzikale brein doodleuk patience aan het spelen was op zijn laptop. Hoewel hij over ‘Stage Fright’ zingt, was daar bij de tweede act van de avond weinig van te merken. Patrick Cleandenim kwam het podium opgeschreden als een incarnatie van de dood uit Bergmans ‘Seventh Seal’, maar dan met cowboyhoed. Ook hier één en al eighties wat de klok sloeg, al was dat decennium plots nog een pak donkerder getint. Wij onthouden vooral het dramatische ‘Little Baby Party’ - elk nummer waarin Béla Lugosi opduikt, heeft bij ons namelijk een streepje voor.

Qua over the top performance kan echter niemand tippen aan Jonathan Pierce. De frontman van The Drums leek in zijn trainingsvestje vervaarlijk op cultheld Pico en deed ons met zijn absurde danspasjes en algehele overgave nog het meest denken aan Billy Elliott op speed. Een toevallige passant zou bijna vermoeden op de audities voor ‘So You Think You Can Dance’ verzeild te zijn, want ook gitarist Jacob Graham fladderde als een bezetene over het podium. Het oog wil ook wat en kreeg dat zeker met de capriolen van de stichtende leden van The Drums, maar uiteindelijk moest er toch vooral muziek gemaakt worden.


En daar wrong af en toe het schoentje, want het concert ontaardde al snel in chaos. Openingstrio ‘Best Friend’, ‘Submarine’ en ‘Book of Stories’ was moeilijk van elkaar te onderscheiden en op ‘Make You Mine’ verzonk de stem van Pierce bijna volledig in de kakofonie van de andere muzikanten. Al schreeuwde die laatste zich nog zo de ziel uit het lijf en was het ons niet helemaal duidelijk of en hoe gitarist Graham er in godsnaam in slaagde zijn getrippel ook effectief met getokkel te combineren. Zomerhitje ‘Let’s Go Surfing’ - één van de twee nummers die de overstap van EP naar album overleefd hebben - zorgde een eerste keer voor ambiance en tijdens ‘I Need Fun In My Life’ dook Pierce halvelings het publiek in. 

Tijdens ‘Don’t Be A Jerk, Johnny’ moest even van die bokkensprongen bekomen worden. Het nummer werd ingehouden en beheerst gebracht - voor zover dat met het repertoire van The Drums te rijmen valt- en zorgde daardoor voor het eerste echte hoogtepunt. ‘Forever and Ever Amen’ werd dan weer energiek en overtuigend gebracht, en opgedragen aan het nog steeds enthousiast rondspringende publiek. Afsluiten deden The Drums met het melancholische ‘We Tried’, waarvan de tekst - “Where will we go when we get old?” - ons vooral deed afvragen of Pierce en co. binnen pakweg 10 jaar nog altijd zulke spring-in-’t-velds zullen zijn.

Ons niet gelaten, mens sana in corpore sano weet u wel. Alleen mogen we hopen dat ze tegelijk een beetje aan het samenspel binnen de groep werken, zodat hun nummers live ook even zomers klinken als op plaat. Tijdens bisnummer ‘Down By the Water’ vergastte Graham ons zelfs op een staaltje interpretative dance om U tegen te zeggen, maar het is een teken aan de wand dat het vooral die danspasjes zijn die ons nog wel even zullen bijblijven. Wat de muziek betreft niet meteen een passage voor de geschiedenisboeken.

Oh, en voor wie die danspasjes zelf eens wil beoordelen, hieronder alvast de clip voor Best Friend. Al is het live nog minstens 10 keer erger.

Ik heb altijd gelijk, tenzij u me van het tegendeel kan overtuigen!

Bijna Kerstmis, dus ik vraag mijn virtuele publiek om een goed doel te steunen. Music For Life is me wat te mainstream - al ga ik daar op de Groenplaats deze week ongetwijfeld ook een warme chocomelk komen drinken, dus hou ik het wat dichter bij huis. Een opmerkzaam lezer heeft ondertussen zelf ook al gemerkt dat ik mijn bescheiden schrijfkunsten af en toe uitleen aan het online muziekmagazine Digg*. Traditie wil dat ook wij van de muziekredactie op het einde van het jaar door de nodige lijstjesgekte overvallen worden en  plichtsbewust een overzicht maken met wat volgens ons dé platen van 2010 zijn.

Maar rust roest, dus hebben we besloten dit jaar dat hele concept overhoop te gooien. Weg met de overheersing van de elite der indies, vanaf dit jaar mag ook ons publiek mee stemmen. En wel via deze link! Voor u, eigenzinnige lezer van mijn cultureel geïnspireerde blog, de ideale gelegenheid om zelf ook eens uw gedacht te zeggen. Aan de karige reacties op mijn blog kan ik afleiden dat mijn publiek ofwel geen mening heeft, ofwel te bang is om mij tegen te spreken. Aangezien ik vooral dat laatste niet geheel onbegrijpelijk acht, via een omweg toch nog de mogelijkheid het niet met mij eens te zijn. Onder de veilige vleugel der anonimiteit dan nog. U weet wat u te doen staat!

donderdag 16 december 2010

Never got cold wearing nothing in the snow

Hoewel ik een enorme arty farty indie nerd ben -om het met de woorden van een kritische kennis te zeggen- liggen in mijn kast toch maar drie bandshirts. Niet alleen omdat die dingen onmenselijk duur zijn, ongetwijfeld in een Thaise sweatshop gemaakt worden en veelal als een parachute rond je lichaam zweven, maar ook omdat ik die eer voor een select clubje wil bewaren. Uiteraard hoort vleermuis Nick Cave daarbij, maar het is buiten al donker genoeg zonder een extra laagje zwartgalligheid. Ook The Tallest Man on Earth ligt sinds kort te pronken in mijn kleerkast, maar aan die niet eens zo lange Zweed kan je hieronder al een ode lezen.

Nummer drie dus en die lichtjes geniale band is meteen ook de ultieme remedie tegen de winter, die de temperaturen buiten en ook mijn humeur ver onder nul houdt. Ik ben vast niet de enige die The Shins leerde kennen dankzij de soundtrack van Garden State. En dan vooral dankzij deze melige en toch memorabele scene waar Natalie Portman beweert dat de band, en hun nummer New Slang haar leven veranderd hebben.

.

Ondanks -of net dankzij- die elfenoortjes kan ook ik Natalie Portman onmogelijk ongelijk geven en dus ging ik als overenthousiaste puber op zoek naar méér Shins. Die vond ik in de 'platenwinkel' - ahum- en al snel werd ik ondergedompeld in een zeemzoete melancholie zoals ik die daarvoor enkel bij Eels had gehoord. New Slang van hierboven doet je wegzweven naar zonnigere tijden zonder deadlines, maar slaat je tegelijk murw door dat eerie sfeertje.

The Shins maken echter vooral nummers die je probleemloos weer oppikken uit je winter -of whatever- blues en je als een bezetene in het rond doen springen. Dat doen ze met aanstekelijke refreintjes, wat occasioneel gefluit en vooral veel handengeklap. Probeer maar eens stil te zitten op Caring is creepy, Know your onion of Kissing the lipless. Maar mijn persoonlijke favoriet blijft toch So Says I, dat echt alle ingrediënten heeft om je door twintig opeenvolgende Siberische winters te sleuren. Dat geratel! Die filosofische boodschap! Die dreunende gitaren! Maar vooral die gilletjes!

'Cause this is nothing like we'd ever dreamt
Tell Sir Thomas More we've got another failed attempt
'Cause if it makes them money they might just give you life this time
Whooohooohooowhoohoo!


woensdag 15 december 2010

Sad but true



Geweldig geanimeerd filmpje over een fenomeen dat ons dezer dagen allemaal in de ban houdt: uitstelgedrag. Want als je nog een politiek werkstuk en een interview moet afwerken, lijken de afwas en de boodschappen  meteen een pak aanlokkelijker. En toch een korte post, want ik heb nog stuff to do.


En wie liever nog een beetje procrastineert, moet zeker ook eens de andere filmpjes van Lev Yilmaz checken. Zoals daar zijn What would Penis do?

zaterdag 4 december 2010

Once upon a midnight dreary

Het is december en die maand brengt niet alleen sneeuw, een overvloed chocolade en mandarijnen en melige kerstliedjes met zich, maar helaas ook een berg deadlines. Elk zinnig mens zet zich dan achter zijn bureau en werkt stevig door om die taken op tijd af te krijgen. De procrastinators onder ons - want ik hoop dat ik niet alleen ben - houden zich dan liever bezig met alles wat niet naar school, artikels en achtergrondverhalen ruikt. En op zo'n momenten biedt het wereldwijde web uren welgekomen - maar met het oog op die deadlines ook gevaarlijk verslavende - verstrooiing.

Zo stootte ik vanmiddag op dit heerlijke stukje stop-motion animatie. Ook voor hij Johnny Depp, Helena-Bonham Carter en duizelingwekkende budgetten ter beschikking had, maakte Tim Burton al donker getinte pareltjes. In dit gedicht worden we meegezogen in de leefwereld van de jonge, op zijn zachtst gezegd bizarre Vincent. Net als zijn bedenker Tim Burton is hij dol op de duistere poëzie van Edgar Allan Poe en is horroracteur Vincent Price zijn grote idool.  Vergeet dus even dat je nog 5 minuten interview moet transcriberen, elvendertig bronnen moet opbellen en godbetert een leuk onderschrift voor je foto moet bedenken, en droom mee weg.



Hier trouwens één van de mooiste versies die ik ken van het gedicht 'The Raven' van diezelfde Edgar Allan Poe. De schuurpapieren stem van Mark Lanegan en het ijle gezang van Isobel Campbell vormen de perfecte combinatie en ondanks de Siberische temperaturen smelt ik keer op keer.

vrijdag 26 november 2010

Beter dan Wiki


Over de doden niets dan goed, dus valt het ons nogal moeilijk om een review te schrijven van ‘An Introduction to ... Elliott Smith'. De goede man - God hebbe zijn ziel - schrééf nu eenmaal breekbare, intieme en toch overweldigende songs, en we kunnen het er allemaal over eens zijn dat hij te vroeg gestorven is. Met het nodige gevoel voor dramatiek ook. Maar of deze verzamelaar van Kill Star Records, het voormalige label van de harakirikunstenaar bij uitstek, ook effectief een meerwaarde in onze platenkast vormt, is nog maar de vraag.

Bij zulke initiatieven kan uiteraard eeuwig gekibbeld worden over welke nummers overbodig zijn en welke eigenlijk niet hadden mogen ontbreken. Zo vragen wij ons bijvoorbeeld af waar het ontwapenende ‘Say Yes' of de heerlijke woordenstroom van ‘Memory Lane' - "uncomfortable apart, it's all written on my chart" - gebleven zijn, maar dat is eigenlijk naast de kwestie. Met ‘An Introduction...' wil Kill Star Records in de eerste plaats een nieuwe generatie muziekliefhebbers onderdompelen in het oeuvre van Smith, "providing a pathway for people to delve more deeply into his immensely satisfying catalog". Trouw aan die missie biedt de plaat een breed spectrum aan Smithnummers, van indiedebuut ‘Roman Candle' uit 1994 over het postuum uitgebrachte ‘From a Basement on a Hill' (2004) tot ‘New Moon' (2007), waarop een aantal nooit eerder uitgebrachte opnames gebundeld werden.

Kill Star Records zet zijn inleiding alvast sterk in met ‘The Ballad of Big Nothing' als opener. Dit nummer vanop ‘Either/Or' (1997), in alternatieve middens unaniem als Smiths sterkste album bestempeld, laat een ijl klinkende Smith aan het woord over de drugsspiraal waarin hij verzeild geraakt is, en klinkt met "a tired man with only hours to go, just waiting to be taken away" in retrospect plots heel wat gewichtiger. Het is bovendien hét perfecte voorbeeld van de muziek waar Smith voor staat: een akoestische gitaar, breekbaar gezang en impressionistische lyrics. Smiths nummers vertellen niet zozeer een verhaal, maar proberen eerder een stemming op te roepen.

Vaak tonen die momentopnames de minder mooie kant van de roem, zoals op ‘Angeles', waar het feeërieke gitaarwerk de harde realiteit van het leven in Los Angeles niet kan verdoezelen, of op ‘Between the Bars', waar de tastbare hartenzeer van Smith zich op de snaren van zijn gitaar doorzet, die wel met hem mee lijken te janken. Het leeuwendeel van de nummers op deze ‘Introduction' - naast de drie hierboven ook nog het vrijwel iconische ‘Pictures of Me' en het hypnotiserende gedreun van ‘Alameda' - werd van doorbraakalbum ‘Either/Or' geplukt, maar ook ander werk van Smith komt aan bod. Zij het iets minder uitgebreid.

Vanop debuut ‘Roman Candle' krijgen we bijvoorbeeld enkel ‘Last Call' te horen, maar dat ene nummer toont wel perfect de lange weg die Smith heeft afgelegd. Zijn stem klinkt hier lager, zwaarder dan we van hem gewend zijn, maar de zwaarmoedige stemming - "waiting for sleep to overtake me" - had hij zich ook toen al eigen gemaakt. De engelenstem die we later als die van Smith zouden gaan herkennen, toont zich voor het eerst ten volle op ‘The Biggest Lie', vanop ‘Elliott Smith' uit 1995. Smith zingt hoog, de lyrics kerven zich een weg naar je ziel en het schijnbaar eenvoudige gitaarwerk bevat toch een aantal verrassende variaties.

Dat Kill Star Records voor deze verzamelaar verantwoordelijk is, blijkt wel duidelijk uit de songkeuze. Vanop ‘XO', Smiths eerste worp voor major label DreamWorks uit 1998, krijgen we maar één nummer. Gelukkig is dat wel het wondermooie ‘Waltz # 2', met een intro waar golf per golf nieuwe instrumenten opduiken om voor een wervelend samenspel van gitaar, piano en subtiele drums te zorgen. Ook van zijn latere werk - ‘Figure 8' en ‘From a Basement on a Hill' - is betrekkelijk weinig te bespeuren, waardoor deze ‘Introduction' beperkt blijft tot net dat. Een inleiding, waarna de nieuwsgierige luisteraar hopelijk zelf de tijd neemt het oeuvre van Elliott Smith te verkennen.

Overigens wel hoedje af voor Kill Star, dat een plaat van een notoire zwartkijker durft te laten eindigen met het ironisch vrolijk klinkende ‘Happiness/The Gondola Man'. "All I want now is happiness for you and me". Dat geluk heeft hij helaas nooit gevonden, waardoor wij ongetwijfeld nog talloze geniale platen mislopen zijn.

maandag 22 november 2010

Because you named me as your lover, I thought I could be anything

Zijn jeansbroek spant zo hard dat zijn kindergeld er ongetwijfeld bij inschiet - pun intended - en in wezen is hij verre van boomlang, maar toch tekende The Tallest Man On Earth voor hét concert van Pukkelpop 2010. Samen met horden pubermeisjes trokken wij zaterdag dus naar de Botanique om nog eens weg te dromen in de ogen van Kristian Matsson, maar eerst nog het voorprogramma. Idiot Wind mag haar artiestennaam dan wel bij Bob Dylan gaan halen zijn, aan haar songs moet ze nog wat schaven. Hetzelfde geldt voor haar garderobe, want dat korte rokje kroop vervaarlijk omhoog terwijl ze zenuwachtig achter haar klavier heen en weer schuifelde. We hoorden flarden Norah Jones, een vleug Regina Spektor, maar vooral te veel galm op de piano en een pak nummers die onderling perfect inwisselbaar waren. 

Ook de hoofdschotel van de avond moest het doen met zijn stem en één instrument - afwisselend een van zijn 4 gitaren of de piano - maar The Tallest Man On Earth slaagde er wel in 16 nummers te brengen met een onmiskenbaar eigen sound. Al na de eerste noten werd elke song - naar eigen zeggen zowat allemaal over “birds and mountains” - door een zeer devoot publiek herkend en al snel kreeg de Grootste alle handen op elkaar. Met ‘I Won't Be Found’ toonde Matsson bovendien dat hij aan oudere nummers durft sleutelen: de snaren klonken warmer dan op plaat, er zat -nog- meer variatie in het gitaarspel, maar op lyrics als “never used the sun to see the light” schreeuwde hij als vanouds zijn stembanden stuk.

Dat toegewijde publiek heeft The Tallest Man On Earth dan ook niet enkel te danken aan zijn songs - al valt daar bitter weinig aan op te merken - maar ook en misschien vooral aan zijn onvoorwaardelijke overgave op het podium. Als een bizarre mengeling van een kalkoen en een flamingo nam hij elk hoekje van het podium in, hij deinsde er niet voor terug om een aantal gelukkigen op de eerste rij indringend in de ogen te kijken en wanneer hij op ‘Thousand Ways’ zong “If I don’t get you in the morning / by the evening I sure will’, probeerde hij de hele Botanique ook écht daarvan te overtuigen. 

Onze liefde voor Matsson gaat terug op ‘Pistol Dreams’, dat meteen uit de band sprong op de soundtrack van de Zweedse televisieserie ‘Upp till kamp’ en ook vanavond wist deze indrukwekkende woordenstroom en dito wervelwind van gitaar ons omver te blazen. Nauwelijks rechtgekropen na die pletwals, kregen we met ‘Love Is All’ alweer een dreun van jewelste. Tijdens het stemmen van zijn gitaar schiep The Tallest Man een dreiging die de haartjes op onze arm deed rechtstaan en die vreemde grijns om zijn lippen - hij speelde het hele nummer met de ogen toe - liet dat nog even zo. “Sorry If I seem angry or something, I’m not. It’s just the song”, excuseerde hij zich achteraf voor zoveel inleving.

Misschien zat het Belgische bier er voor iets tussen, maar The Tallest Man On Earth was in de Botanique opvallend spraakzaam. Hij excuseerde zich uitgebreid voor het langdurige stemmen van zijn verschillende gitaren - inderdaad een werkpunt - en bracht ook de nodige zelfrelativering aan de dag in zijn bindteksten. ‘King of Spain’ werd aangekondigd als “exactly the same song as ‘Love Is All’, with just a little more dancing. Maybe that just makes it creepier”. De zaal kreeg hij met deze klassieker in wording alvast helemaal mee; hij liet zijn tong heerlijk vettig rollen op “because you named me as your llloverrr” en stampte zo enthousiast met zijn voeten dat we het podium letterlijk voelden daveren.

Daarna even tijd voor een rustpunt in de set - “to see if it’s not just the dancing, it’s the songs also” - dat met een door merg en been gaand ‘Tangle in this Trampled Wheat’ sterk werd ingezet, maar met ‘Like the Wheel’ toch even stilviel. Hij mag dan nog op de piano van Roxette (!) spelen, wij horen Kristian Matsson toch het liefst aan het werk op de gitaar, die hij gelukkig weer bovenhaalde voor absolute stamper ‘The Gardner’. Bovendien ook een staaltje van exquise songwriting en niet zomaar een “song about flowers”, zoals hij zelf beweerde.

Aan het eind van de avond vroeg de beminnelijke Zweed nog maar eens onze vergiffenis voor alle “sad, shitty songs” en beloofde ons op een vrolijke noot naar huis te laten gaan. Magie volgde toen hij Amanda van Idiot Wind uitnodigde voor het duet ‘Thrown Right At Me’ en tenzij Matsson een geniaal acteur is, meenden wij daar echt een verliefd koppel aan het werk te zien. Wanneer hij daarna ook nog eens biste met het breekbaar mooie ‘The Dreamer’ en ‘Kids on the Run’, waar de piano dit keer wel de juiste snaar raakte, werd de hele zaal muisstil en bleef het kippenvel ons nog een hele treinrit naar huis achtervolgen.

woensdag 17 november 2010

Over scottish en andere mazurka's

Geitenwollen sokken ga ik nooit beginnen dragen en ik ga nu ook niet plots stoppen mijn haren te wassen, maar soms hebben die hippies wel goede ideeën*. Boombal is er zo eentje van.

Na lang aandringen had een goede vriend me ervan kunnen overtuigen het fenomeen gisteren ook een kans te geven en ik moet zeggen dat het me bevallen is. Het concept is eenvoudig: een groepje met de nodige accordeons, doedelzakken en andere exotische instrumenten zorgt voor live muziek en iedereen danst met iedereen. Opgelegde dansen dan nog, die je aan het begin van de avond tijdens een korte initiatie aangeleerd krijgt.

Voor sommigen onder jullie klinkt dit waarschijnlijk als de hel en ik moet toegeven dat ik zelf ook mijn twijfels had. Het kumbaya-gehoogte ligt er inderdaad een tikkeltje hoger dan op de gemiddelde fuif in de Culture Club, maar er liep heus niet enkel langharig, werkschuw tuig rond. Wel een heel gevarieerd publiek en dus ook mensen die totaal niet kunnen dansen, wat de nodige hilarische taferelen, maar vooral veel solidariteit oplevert. Het is minder pijnlijk om en masse te staan sukkelen op een mazurka of een scottish en beetje bij beetje leert iedereen de basis wel.

Zeker als je een goede leermeester hebt, en die had ik. En geef toe, meisjes, wat is er leuker dan eens stevig door een man vastgepakt te worden en letterlijk alle hoeken van de kamer te ontdekken? Ik ben volgende keer zeker weer van de partij, u ook?

* Excuses voor de overvloed aan vooroordelen. Schrijven is niet alleen schrappen, maar soms ook een beetje choqueren.

In your face, Van Tyghem*

IJverig ventje, die Declan Patrick Aloysius MacManus. ‘National Ransom' is ondertussen al het drieëndertigste album van alter ego Elvis Costello, dus is het hem vergeven dat ‘ie af en toe de mosterd ergens anders gaat halen. Op 'Secret, Profane and Sugarcane' verkende de Brit vorig jaar samen met partner in crime T-Bone Burnett al uitgebreid het countrygenre. Met ‘National Ransom' gaat hij netjes op dat elan verder, om er tegelijk ook aardig wat toetsen bluegrass, rock-n'-roll en folk tegenaan te gooien.


Opener en titelsong ‘National Ransom' is nochtans old school Costello. Een stevig wegrockend nummer waarin hij uithaalt naar de recente bankcrisis, maar eigenlijk gewoon het kapitalisme sinds de crash op Wall Street van meer dan een halve eeuw geleden een serieuze uppercut verkoopt. "1929 to the present" situeert Costello het nummer in een voetnoot, maar gek genoeg is het zowat het enige ‘moderne' accent op een plaat die verder een duik in de muziekgeschiedenis is. Een anachronisme op tijd en stond kunnen wij wel smaken en ‘A Slow Drag with Josephine', dat Costello vaagweg "under the Napoleonic Code" situeert, is alvast het vrolijkste nummer dat wij in tijden gehoord hebben. Het leent niet alleen de heerlijk lome atmosfeer van die tijd, maar met vondsten als "skeddle-daddle-doo" en "my little ballyhoo" ook het jargon. Het gefluit op het einde volstaat zowaar om eigenhandig de opkomende herfstblues weg te jagen.

Op zo'n muzikale tijdreis moet je onvermijdelijk ook je helden eren. ‘Dr. Watson, I Presume' is naast een geniale titel en een historische verwijzing voor de quizzers onder ons ook een ode aan bluegrass-legende Doc. Watson. En vooral een ijzersterke song waar Costello als rasechte verteller een heel universum schetst, summier maar doeltreffend toongezet op enkele rake gitaarslagen. Ook ‘Bullets for the New-Born King' is zacht en ingetogen, maar raakt toch de kern van onze ziel als het relaas van een moordenaar met spijt. ‘Jimmie Standing in the Rain' is ten slotte een novelle hors catégorie, waar de warme gloed van Costellos stem en de subtiele toetsen viool en trompet perfect het refrein - "Forgotten man, indifferent nation, waiting on a platform in a Lancaschire station" - begeleiden.

Helaas kruipt niet elk verhaal dat Costello vertellen wil even hard onder de huid. Een droge voetnoot - "The London Underground, 22nd of July, 2005" - maakt ons meteen diets dat het in ‘One Bell Ringing' serious business is. Het relaas van de Braziliaan die in volle terreurparanoia in de Londense metro werd neergeschoten, heeft een soort inherente dreiging in zich - versterkt door Costello die naarstig op de snaren plengt - maar leidt uiteindelijk nergens naar. Ook bij ‘That's Not the Part of Him You're Leaving' is dat ene vage lijntje waar Costello het nummer situeert - "On the Road Between Dismal and Discouraged. Right Now" - veelzeggender dan de muziek zelf. Het is een mindere versie van ‘Stations of the Cross', dat met zijn minimalistische spatten piano zelf ook al een eerder flauw afkooksel was van oudere kleppers als ‘Shipbuilding'. Of wat dan te denken van ‘I lost You' en ‘The Spell That You Cast', die allebei verraderlijk vrolijk klinken, zonder ooit maar in de buurt van een climax te komen? Een normaal mens zou na gedumpt te worden ook niet meteen uitbarsten in een partijtje line dance, maar ons aller Elvis blijkbaar wel.

Volgens de legende hebben Costello en co. het hele album in een schamele 11 dagen ingeblikt in een studio in Nashville, en ergens is dat er ook aan te merken. Niet dat het één zootje ongeregeld is of dat er enkel slechte nummers op staan - verre van zelfs - maar all in all lijkt het meer een gezellig potje jammen onder vrienden dan een voorzichtig uitgekiend geheel. ‘National Ransom' is een overweldigend kleurrijk mozaïek van muzikale stijlen, maar dan wel ééntje waar je niet te lang naar kan staren zonder er koppijn van te krijgen.


* nu maar hopen dat hij het niet leest

zaterdag 13 november 2010

Mellon Collie and the Infinite Sadness



De titel van dit bericht is - naast één van de betere albums van de nineties - ook gewoon een vrij accurate beschrijving van hoe ik me momenteel voel. U leest het goed, weer geen post over cultuur of actualiteit, wel eens heerlijk diep in mijn persoonlijke leven graven. Geen zorgen, hier niets over mijn seksuele of andere uitspattingen - de hele klas leest tenslotte mee - wel  wat mijmeringen over een gevoel dat iedereen wel eens overvalt.

Melancholie is volgens ons aller Wikipedia "een gemoedstoestand die neigt naar depressie en zich kenmerkt door een verdrietige kijk op het verleden of een onvervuld verlangen", vandaag perfect op mij van toepassing. Niet dat ik nu overweeg mezelf van een brug te gooien - de enorme plassen water onderaan zouden waarschijnlijk toch mijn val breken, wat een rotweer - maar 13 november 2010 zal de annalen niet ingaan als dé dag waarop ik mijn leven in handen nam.

Het gaat nochtans niet slecht met mij, ik zou zelfs durven zeggen dat het goed gaat. Ik zit min of meer op schema met mijn schoolwerk, heb daar in Brussel toch al wat aangenaam volk leren kennen en bovendien begint mijn toekomst - die me al heel wat slapeloze nachten heeft opgeleverd - eindelijk in de plooi te vallen. Vier jaar werkzekerheid en in september al meteen een tripje richting Finland, ik ken menig academicus die me daarvoor benijdt. Elk zinnig mens zou me erop wijzen dat deze vergeten parel van Timbuk 3 eigenlijk beter van toepassing is.

Maar daar wringt het schoentje: melancholie is geen rationeel gevoel - al is dat op zich ook een oxymoron - en ik al evenmin een rationeel mens. Vrouwendag en de hele feministische beweging ten spijt zijn er nu eenmaal verschillen tussen man en vrouw, en niet alleen wat onze omgang met de strijkplank betreft. Zo heel af en toe houden wij er wel van ons in de nodige portie zelfmedelijden te wentelen en als je even uit het raam kijkt, is de conclusie snel getrokken dat vandaag daarvoor de uitgelezen dag is.

En dus denk ik niet na over de best wel aangename toekomst die me voorgeschoteld wordt - in de komende week alleen al twee concerten, een quiz en mijn allereerste Boombal - wel over het grotendeels nog aangenamere verleden dat ik nooit meer terug krijg. De fout die je dan absoluut niet mag maken, maak ik steevast toch. Oude liefdesbrieven - of ja, mails en sms'n - worden opgerakeld en dan blijkt al snel dat vandaag een verloren dag wordt. Geen bibliotheek wordt vandaag bezocht, geen recensie of artikel geschreven, zelfs geen sjaal gebreid.

Maar kom, het heeft tenminste een blogpost opgeleverd. En nu ga ik met een kop warme chocolademelk doelloos uit het raam staren. Met de Smashing Pumpkins op de achtergrond.

zaterdag 6 november 2010

Easy Money

Juist, ik ging het hier eigenlijk over cultuur hebben. Voorlopig weinig van te merken, wat daarom nog niet hoeft te betekenen dat ik de laatste weken als een ware cultuurbarbaar enkel naar Thuis heb gekeken. Integendeel, ik weet amper hoe het ondertussen zit tussen Frank en Simonneke maar heb wel een aantal geweldige cd's ontdekt. Niets dan lof bijvoorbeeld voor de zinderend geile, genadeloos rockende tweede van Grinderman of het hartverscheurende debuut van Perfume Genius. Maar eerlijk is eerlijk, daarover schrijven mijn collega's bij Digg* met meer expertise dan ik het ooit zou kunnen. Oordeel vooral zelf, want Write About Love, de nieuwste van Belle and Sebastian is daar zo vakkundig mogelijk door mij onder de loep genomen. En aangenaam swingend, maar net iets te weinig meeslepend bevonden.

Ook boeken heb ik gelezen, zoals daar zijn het satirische Kan du säga schibbolet? van de Zweedse Marjaneh Bakhtiari. Helaas spreken bitter weinig lezers van deze blog de taal van Pippi Långstrump en lijkt het me dus zinloos daar mijn - en jullie - kostbare tijd aan te wijden. Om de taal die ik 4 jaar lang met verbazingwekkend weinig bloed, zweet en tranen gestudeerd heb toch niet helemaal te verwaarlozen, dan maar een Zweedse film - die dingen hebben tenminste ondertitels. En wel één die gebaseerd is op een boek dat bovendien wél naar het Nederlands vertaald is, zoals dat met bestsellers wel eens vaker het geval. Snabba Cash - in het Nederlands nogal lullig vertaald als Snel Geld - schetst met veel expertise de verschillende lagen van de onderwereld in Stockholm - auteur Jens Lapidus is advocaat van beroep en weet dus waarover hij schrijft. In een mozaïek van verschillende fragmenten  volgen we de drie hoofdpersonages. Mrado is een belangrijke schakel in de Joegoslavische maffia,  Jorge is net uit de gevangenis ontsnapt en plant een laatste grote deal om zijn vlucht naar het buitenland te kunnen bolwerken en JW is de snob - niet toevallig student economie - die in de drugshandel verzeild raakt om zijn dure uitgaansleven op Stureplan, de Stockholmse place m'as tu vu, te financiëren.

In ware Magnoliastijl raken de levens van de drie pionnen steeds strenger verstrengeld - die drugs moeten ze tenslotte ergens halen. In de roman schetst Lapidus het doen en laten van elk van hen in een andere schrijfstijl, een ander dialect. In de film resulteert dat gewoon in een verwarrende opeenvolging van scènes, waar het moeilijk is een lijn in te trekken zonder het boek gelezen te hebben. De openingsscène is er anders wel meteen boenk op: Mrado besluit de buitenwippers van een nachtclub aan de tand te voelen - en dat mag u heel erg letterlijk nemen - over een eventuele samenwerking. Dat levert bloederige beelden op, die je liever niet van op de eerste rij van de cinema meemaakt, geloof me. In dezelfde schokkerige camerastijl volgen we Jorges great escape en JW's veroveringstocht in de bars van Stockholm, maar het duurt even voor je het opzet van het verhaal begrijpt. Spanning te over, verpletterende gevechten en een geweerschot hier en daar, maar weinig diepgang. Een boek heeft nu eenmaal meer woorden om de gedachtengang van zijn personages duidelijk te maken, terwijl een film die drijfveren op een heel andere manier aan het publiek moet overbrengen.

Er zitten wel degelijk een aantal ontroerende scènes in de film, waar vooral het samenspel tussen Mrado en zijn dochter die hij tegen wil en dank onder zijn hoede krijgt een gevoelige snaar raakt. Maar de licht ontvlambare relatie tussen JW en rijkeluisdochter Sophie deed me hoegenaamd niets en daar waar ik het bij het lezen van het boek vooral voor underdog Jorge had, kon zijn bewegende versie amper sympathie opwekken. De film gaat pas echt in de fout door te veel aan het oorspronkelijke verhaal te rammelen. JW's verdwenen zus speelde in de roman een cruciale rol in de ontknoping, maar duikt in de film amper op. Tot het spelletje gedaan is en elke schakel in het drugsnetwerk in de gevangenis, het vagevuur of een vliegtuig richting vrijheid zit - connect the dots zelf maar - en de film abrupt eindigt met het beeld van een meisjesnaam, getatoeëerd op een mannenarm.

Blijkt nu dat die piste niet domweg vergeten is, maar bewust opgespaard voor een sequel die er eigenlijk helemaal nooit hoefde te komen - alle andere losse eindjes zijn netjes aan elkaar geknoopt. Geldzucht heeft blijkbaar zelfs het idealistische Zweden bereikt en om nog wat zout in de wonde te strooien zijn de filmrechten ondertussen ook al aan het Amerikaanse Warner verkocht. Kers op de taart?
Zac Efron
 in de rol van JW. Weer een film die ik al zeker níet hoef te zien,
spaart me 9 euro.

donderdag 4 november 2010

Man man man



Nick Cave is niet meteen moeders mooiste, al zeker niet nu hij het in zijn hoofd heeft gehaald om die snor weer te laten groeien. Maar liefdesliedjes als dit mag hij ook voor mij altijd eens komen zingen.

Ooit, als ik veel tijd en dito inspiratie heb, maak ik van deze blog een ode aan mijn muzikale helden. Cave staat prominent bovenaan die lijst, laat dat duidelijk zijn.

zondag 31 oktober 2010

I've seen the future, it is murder



Leonard Cohen stelt het misschien een beetje cru, maar bij momenten heb ik zelf ook niet zo'n rooskleurig zicht op wat ons te wachten staat. Wanneer ik heden ten dage op de campus van de VUB rondzwerf of door het Gentse Citadelpark wandel bijvoorbeeld. Want het stinkt daar, naar een misselijkmakende mix van look, bloem, ketchup, chocoladesaus en nog wat ingrediënten die ik liever niet identificeer, dit alles overgoten met een behoorlijke snuif machtsgeilheid. U leest het goed, het seizoen der studentendopen is weer volop aan de gang en dat brengt elk jaar weer dezelfde discussie met zich.

Over die studentendopen doen de nodige horrorverhalen de ronde en hoewel toestanden als in Ad Fundum - het behoorlijk controversiële debuut van Erik van Looy - al lang niet meer van onze tijd zijn, blijft het voor mij toch een onbegrijpelijk degoutante bedoening. Zelf heb ik nog nooit zo'n doop meegemaakt - mijn initiatie in de studentenkring beperkte zich gelukkig tot de Samsonrock zingen op een bank aan 't Zuid - en dat weerhoudt mij ervan over dat soort toestanden te oordelen, maar ik mag er op zijn minst wat vraagtekens bij plaatsen. En er bang van worden, want niets in mij begrijpt hoe iemand er plezier uit kan putten een onwetende eerstejaars om 5u 's morgens op zijn knieën door de koude Overpoort te laten strompelen. De advocaten, economen en what not die over enkele jaren onze maatschappij van de zoveelste crisis zullen moeten redden, houden zich vandaag liever bezig met het vernederen van hun toekomstige collega's.

Vreemd beestje toch, de mens.

R.I.P.


Harry Mulisch, Nederlands literaire legende is gisteren in Amsterdam overleden. Zonder de Nobelprijs waar hij ongetwijfeld recht op had. Het ga je goed daar in de hemel, die je zelf al jaren geleden ontdekt hebt.

zaterdag 30 oktober 2010

Opinions like arseholes on days like today


Opinions like arseholes on days like today
Everyone's got one


Vandaag de dag lijkt het wel een morele plicht over alles en iedereen een mening klaar te hebben. Over koetjes en kalfjes, het weer - koud en nat, als altijd - of het voetbal - de beste stuurlui staan tenslotte nog steeds op de tribune - maar ook over de nét iets gewichtigere dingen des levens. 'Deed ze het of deed ze het niet' leek elke krant en met hen hun lezers zich de afgelopen weken af te vragen en als journalist in spé zou ik niet mogen achterblijven in deze prangende maatschappelijke kwestie. Ahum. Dat de naam Els Clottemans hier pas meer dan een week na haar veroordeling opduikt heeft weinig met luiheid of writer's block van doen -al pleit ik op geen van de twee vlakken onschuldig, des te meer met een gezonde vorm van bescheidenheid.

Wie mij kent zal mij niet geheel onterecht een grote mond toedichten, maar de flapuit in mij beperkt zich tot die dingen waarover ik verstand van zaken heb. Tot op heden heb ik nog geen diploma Rechten op zak en bovendien zou ik hopeloos verdrinken in die veel te grote toga, dus lijkt mijn oordeel over de schuldvraag in de Parachutemoord niet meteen relevant. Ook ik heb de ontelbare krantenartikels gelezen, ook ik vond Clottemans - ik weiger iemand die ik enkel van foto's ken Babs te noemen - daar eerder koel en onverschillig overkomen, maar ook de krachttoer van Vermassen en dan vooral de handtekeningensessie achteraf balanceerde voor mij vervaarlijk op het randje. Maar ik zetelde niet in de jury en de assissenzaal daar in Tongeren heb ik nooit vanbinnen gezien, dus lijkt het mij maar logisch dat ik niet van de daken ga verkondigen dat Els Clottemans een Groot Onrecht aangedaan is, dan wel dat Gerechtigheid Geschiedde.  Laat dat maar aan de vakmensen over.

Ik zou ze niet graag eten geven, de ondertussen al 10 343 leden van de Facebookgroep Steun Els Clottemans. Wel durf ik er een aantal bakken bier op verwedden dat slechts een kleine fractie van die likers ook effectief op 11 november uit zijn luie zetel zal willen komen voor een Zwarte Mars - of Stille Optocht, call it what you will. Dan krijgen zij die wel komen er elk een pintje van, dat zal waarschijnlijk ruim voldoende zijn.

maandag 25 oktober 2010

It's got to be perfect

Toen ik nog jong was - klein ben ik helaas altijd gebleven - kregen we op school de opdracht een roos te tekenen. Het moet in het derde of het vierde leerjaar geweest zijn en ook toen al wou ik steevast de beste van de klas zijn, alleen ben ik nooit een tekentalent geweest. Uren heb ik aan die tekening gezwoegd, stilaan vergaarde de keukentafel decigrammen gomsel en nog was ik niet tevreden. Heel even overwoog ik om mijn broer het werkje te laten opknappen - dat had ik eerder ook al gedaan toen we de schier onmogelijke taak kregen een konijn op papier tevoorschijn te toveren, maar die bleek zoals wel vaker spoorloos verdwenen te zijn. Ondertussen sloop bedtijd vervaarlijk dichterbij en op die leeftijd had ik het concept nachtje door nog niet ontdekt, laat staan dat ik mijn ouders van het nut ervan had kunnen overtuigen. Met de moed der wanhoop begon ik dus aan een laatste poging, nu met de intentie gewoon in één ruk door te tekenen en dat schamele restje gom te laten voor wat het was. Et voilà, nog geen twee minuten later viel op mijn blad een best wel aanvaardbare interpretatie van een roos te bewonderen. Dali hierboven was nog nét van een andere categorie, maar het was in elk geval by far het beste wat ik die avond uit de mouwen van mijn pyjama had geschud.


En wat leert ons dat, beste lezer? Naast het feit dat een schilderscarrière niet voor mij is weggelegd, toch vooral dat je soms echt té hard je best kan doen, té perfect kan willen zijn. Een wijze les die ik zelfs als tienjarige uk begrepen had, maar helaas nog niet altijd heb leren toepassen. Ook vandaag ben ik diep van binnen nog een pietje precies en in wat voor mij echt belangrijk is, geldt nog steeds: It's got to be perfect!  Dan heb ik het niet zozeer over die beruchte Mr. Perfect waarvan ik ondertussen weet dat hij niet bestaat of over hoe de groenten voor de spaghetti gesneden moeten zijn - al blijf ik kieskeurig over wie de wortels schillen mag, wel over mijn schrijfsels. Voor alle opstellen die ik heb mogen schrijven en herschrijven heb ik er tonnen papier doorgejaagd en het regenwoud mag zich gelukkig prijzen dat ik voor het schrijven van mijn bachpappen en thesis ondertussen de tekstverwerker ontdekt had. Elk woord wordt bij mij gewikt en gewogen, elke zin, metafoor of retorische vraag meermaals herkauwd tot het helemaal goed zit. En dat kan soms bijzonder lang duren.

Wanneer Andrew Sullivan het bijhouden van een blog als "the spontaneous expression of instant thought" omschrijft, slaat hij de bal er dan ook op zijn Boussoufa's naast. Toch wat mij betreft, want achter die drie schamele posts hieronder gaat behoorlijk wat denkwerk en schandalig veel tijd schuil. "You can't have bloggers block" beweert Sullivan, tien jaar geleden één van de eerste politieke commentatoren die het bloggen ontdekte, maar wat hieronder te lezen valt, staat er toch vooral omdat het moest. Niet dat ik het nut van deze oefening ontken, want ik ben één van de eerste om het elitaire karakter van het schrijven ter discussie te stellen. Voor mij is schrijven in de eerste plaats een stiel, waarvoor je weliswaar een zekere aanleg moet hebben, maar die zoals elke andere aan te leren valt. Oefening baart kunst, om maar eens een huizenhoog cliché boven te halen - maar wel ééntje dat ook daadwerkelijk staat als een huis. De komende weken probeer ik hier wat vaker iets te posten en me net iets minder lang bezig te houden met het eindresultaat, want deze blog is voor mij vooral een laboratorium, waar ik wat met mijn schrijven kan experimenteren.

De perfectionist in mij huilt zilte tranen, maar zelf hoop ik vooral dat er geen explosies van komen...



dinsdag 19 oktober 2010

I keep making this to do list but nothing gets crossed out

Ondertussen een week verder, een week van interessante, minder interessante tot zelfs ronduit frustrerende lessen en vooral een week die mijn bioritme drastisch overhoop gehaald heeft. Een paar stray observations:
- de herfst heeft ongemeen hard toegeslagen en om kwart na zeven
   's ochtends is de wereld opmerkelijk veel kouder (ja, nóg kouder)
- zelfs in een Masteropleiding Journalistiek is het me nog niet gelukt aan die
   vervloekte boomstructuren te ontsnappen
- het Brussels Parlement heeft comfortabele zetels én serveert goede koffie.
   Belangrijk, zo vroeg op de dag!
- de NMBS zal nooit mijn beste vriend worden

Dat laatste punt brengt me via een omweg tot de essentie van deze post, namelijk dat het druk-druk-druk is en de onvermijdelijke -zo lijkt het toch- vertragingen maken mijn dagen een pak korter en mijn leven dus nog druk-druk-drukker. Voor mijn gemoedsrust maak ik af en toe een to-do list en met stip bovenaan staat sinds een kleine week 'idee blog'. En hoewel ik verder onderaan het lijstje wel 'abonnement', 'recensie' en 'afwas' heb kunnen schrappen, heeft zich nog steeds geen geniaal onderwerp aangediend waarover ik naar hartenlust zou kunnen bloggen. Ik weet te weinig over politiek, ben niet echt geïnteresseerd in sport -al doet het door een accident de parcours nog steeds deugd om Brugge te zien winnen en Anderlecht steeds dieper in de put te zien zakken- en mijn leven is ook simpelweg niet boeiend genoeg om er zoveel pixels aan te wijden.

Of toch, want 't is van moeten. Als er één ding is waarover ik voorzichtig durf beweren er mijn weg in te weten, is het wel cultuur. Misschien niet die met de allergrootste K -toch, Meneer Caluwé ?- maar op tijd en stond lees ik wel eens een boek of bekijk ik een film. Om van muziek nog maar te zwijgen, want die overheerst mijn leven. Getuige daarvan de fanatieke zoektocht naar een nieuwe koptelefoon toen vanmorgen bleek dat de oude de geest had gegeven - dat uurtje stilte op de trein leek wel eindeloos. De virtuele leegte hierboven zal dus voortaan opgevuld worden met weetjes en overpeinzingen over wat ik zoal gehoord/gezien/gelezen heb. De gustibus et coloris non disputandum om het op zijn Bart De Wevers te zeggen, maar persoonlijk deel ik mijn mening wel graag met het wereldwijde web. Lezers -als die er al zijn- die zich geroepen voelen om mij tegen te spreken over het genie van Ingmar Bergman, de onovertroffenheid van Leonard Cohen of het complexe oeuvre van Per Olov Enquist mogen zich dus altijd melden voor een virtueel potje schermen.

En om af te sluiten een bekentenis, schokkend uit de pen van een letterenstudent. 11 jaar, zover moet ik al terugbladeren in de lijst van Nobelprijswinnaars om er ééntje tegen te komen waar ik daadwerkelijk iets meer dan een verdwaald essay van gelezen heb. Maar na aanbevelingen van vrienden -daar reken ik Horace Engdahl tot op heden nog niet toe- staan Llosa, Pinter en Coetzee wel bovenaan mijn verlanglijst. Jean-Marie Gustave Le Clézio niet, die mens heeft nu eenmaal overbodig veel voornamen.

maandag 11 oktober 2010

I'm tired of the old shit, let the new shit begin!

Zo'n half jaar geleden heb ik het motto van de heer Mark Oliver Everett, ofte E van Eels, ook tot het mijne gemaakt. Ik hoef de toekomst en de verandering die ze noodgedwongen met zich brengt niet per sé rooskleurig te zien, maar ben allang blij als er af en toe gewoon iéts gebeurt. Ik dicht mezelf wel vaker licht autistische trekjes toe, maar stiekem is het grote onbekende voor mij naast verschrikkelijk angstaanjagend ook gewoon spannend.
Nieuw, anders quoi.

De toekomst op lange termijn is nog steeds één groot vraagteken - en wel van die soort die me al meerdere slapeloze nachten en ongemakkelijke gesprekken met mijn ouders/financierders heeft opgeleverd - maar op kleinere schaal weet ik in elk geval wel wat morgen brengt. Een nieuwe dag, een nieuwe stad en een nieuwe richting. Ik trek naar de Brusselse brousse om me daar te verdiepen in de journalistiek, de talloze groepswerken en nieuwe klasgenoten krijg ik er gratis bovenop. Automatisch dus ook de nodige eerste-schooldag-kriebels, want zelfs 'na 23 jaren in dit leven' staan mijn people skills nog niet helemaal op punt.

Maar euh, zeg het ze E. I'm tired of the old shit, let the new shit begin!
Al ben ik momenteel eigenlijk vooral moe. Dat belooft als ik vanaf nu elke ochtend om half 7 mag opstaan...

vrijdag 8 oktober 2010

Packing blankets and dirty sheets

Nu ja, de vuile lakens heb ik hier gehuurd - toen waren ze nog proper - en die laat ik dan ook hier achter, maar morgen vlieg ik wel weer naar huis. België heeft mij drie weken moeten missen en omgekeerd zal het ook best deugd doen om terug thuis te zijn. Al is het maar omdat ik even geen bibliotheken meer kan zien...

Malmö, it's been a fine three weeks.
Hopelijk tot nog eens, dan wel met een beurs op zak!