dinsdag 8 maart 2011

Noah and the Whale: Last Night on Earth

muzikale snoepwinkel, gaatjes incluis

Een muzikale kameleon is ie wel, die Charlie Fink. ‘Peaceful the World Lays Me Down’, het debuut van Noah and the Whale klonk met zijn arsenaal aan ukuleles, banjo’s en andere fantasierijke instrumenten als de uitgemeten soundtrack van zowat elke film met Michael Cera of Zooey Deschanel - artiefartieindie quoi, terwijl ‘The First Days of Spring’ naast het meelijwekkende relaas van Finks breuk met Laura Marling ook een voorzichtige duik in de wereld van de postrock was. En ja hoor, ook op hun derde plaat, ‘Last Night on Earth’, maken Noah and the Whale een radicale muzikale ommekeer waarvoor je op de kermis enkel de echte durvers kan warm maken.

Helaas ziet dat soort attracties er altijd spectaculair uit, maar blijkt na afloop dat je die laatste smoutebol toch niet meer had moeten binnenspelen. Ook op ‘Last Night on Earth’ is het de overdaad die schaadt en worden een aantal in wezen best leuke nummers vakkundig om zeep geholpen door overdreven ijver. Zo is ‘Life is Life’ een chaotische collage van wat wel drie verschillende nummers lijken, die zelfs elk apart het gewicht van platitudes als “It feels like his new life can start / And it feels like heaven” niet kunnen dragen. Ook ‘Waiting for My Chance to Come’ steekt stevig van wal met een opwekkende viool en wat flarden Paul Simon ten tijde van Graceland, maar het refrein en de samenzang weten niet helemaal te overtuigen en de elektronica is er al helemaal een ongewenste gast.

Dat is hij overigens zowat op de hele plaat, waar overmatige productie en sluimerende elektronische inbreng voor een te afgelikt geluid zorgen. Het meest acute voorbeeld van dat euvel is ‘Give it All Back’: de absolute stinker van de plaat begint nochtans kinderlijk leuk  met een marimba, maar steelt iets te schaamteloos de nostalgische thematiek van Bryan Adams ‘Summer of ‘69’ en klinkt uiteindelijk als een flauw afkooksel van Mika. En dat is op zich al een weinig benijdenswaardige referentie, dan mogen Charlie en co. nog zo netjes “influences like Bruce and the Band” aanhalen. Ook ‘Tonight’s the Kind of Night’ zorgt an sich wel voor een golf van euforie, maar het overenthousiaste achtergrondkoor laat je wat verdwaasd achter. Beetje als buikpijn na een raid op de snoepwinkel, en je krijgt er nog gaatjes van ook.

Toch hebben Noah and the Whale ook voor een aantal songs gezorgd waar zelfs de strengste tandarts geen bezwaar zou tegen hebben. Het lome, zweverige ‘Wild Thing’ zouden we op een andere plaat misschien een beetje saai durven noemen, maar is hier tussen al dat elektronicageweld eerder een verademing. En bovendien ook een mooi staaltje songwriting: Fink wou er naar eigen zeggen een Twin Peakssfeertje aan geven en het uiteindelijke resultaat zou in elk geval niet hebben misstaan op de radiovriendelijke versie van Nick Caves ‘Murder Ballads’. Ook op eerste single ‘L.I.F.E.G.O.E.S.O.N.’ - zowat de meest onmogelijke titel om op je toetsenbord te toveren - schakelen de Londenaars een versnelling lager en komen zo aardig in de buurt van het hitpotentieel van ‘5 Years Time’.

Het is dan ook geen toeval dat net die nummers waar Noah and the Whale alle overdadige elektronica weren, de sterkhouders van dit album vormen. Het instrumentale ‘Paradise Stars’ is een parel van een pianoballad die wat ons betreft te snel voorbijvliegt en op ‘Just Me Before We Met’ zorgt de fijne viool in combinatie met Finks breekbaar melancholische stem voor één keer niet voor tragiek, wel voor ontwapenende charme.

Die paar gezonde tussendoortjes brengen echter niet genoeg evenwicht in de voedselpiramide van de hele plaat en mierzoete afsluiter ‘Old Joy’ doet de balans uiteindelijk faliekant in de verkeerde richting omslaan. Het is zo’n cliché dat je het als recensent amper nog durft bovenhalen, maar iemand had Fink and friends er toch eens aan mogen herinneren dat less echt wel more is. En als u ons nu wil excuseren, wij moeten dringend onze tanden gaan poetsen.


Noah and the Whale staan op 19 april in de kleine zaal van de AB. 
Hopelijk laten ze dan die electronica achterwege.

zondag 6 maart 2011

Yevgueni: Welkenraedt

krachtige herkenbaarheid

“Dag ventje met de fiets op de vaas met de bloem - ploem ploem” schrijft Paul Van Ostaijen in het weergaloos eenvoudige gedicht ‘Marc groet ’s morgens de dingen’. Eenzelfde sfeer roept voor ondergetekende het oeuvre van Yevgueni op: de kracht van het Nederlands is hier haar herkenbaarheid en hoewel Klaas Delrue geen diepfilosofisch dichter is, toont hij zich wel keer op keer een begenadigd songschrijver. Een keizer van het detail ook, waardoor nummers als ‘Als ze lacht’ en ‘Manzijn’ er in het verleden al moeiteloos in slaagden een vaste stek in onze harten te veroveren.

Met ‘Welkenraedt’ brengt Yevgueni, Vlaanderens kleinkunsthoop in bange dagen, ondertussen haar vierde plaat uit, al valt het leeuwendeel van de nummers hier nog bezwaarlijk in dat vakje onder te brengen. Zanger Klaas Delrue mag dan wel opkomen voor Groen!, op muzikaal vlak hebben ze de geitenwollen sokken al lang opgeborgen en ongetwijfeld zit producer Stef Kamil Carlens van Zita Swoon daar voor iets tussen. Zo is het titelnummer er één met een behoorlijke weerhaak - al had dat vreemdsoortige experimentje op het einde voor ons niet gehoeven, neigt ‘Lege handen’ met zijn warrige intro zelfs voorzichtig naar Radiohead en krijgt ook eerste single ‘Was er maar iemand’ naast een leuke twist een opvallend gruizelige finale aangemeten.

Maar niet gevreesd, tegelijk geeft Yevgueni naar aloude traditie ook op ‘Welkenraedt’ de lente een duwtje in de rug. ‘Elisa’ zorgt van bij de eerste noten voor een stevige injectie Vitamine D en die fractie van een seconde ingehouden spanning voor het refrein losbarst is van het opwindendste dat wij in tijden gehoord hebben. Met kinderlijk enthousiasme declameert Delrue zijn schrijfsels, waardoor zelfs enigszins platgetreden paden als “Ik hoor je niet, maar ik heb je wel begrepen” uit zijn mond overtuigend klinken. Andere tradities worden evengoed in ere gehouden en zo vergast Yevgueni ons ook op hun vierde langspeler op een verrassende cover. Samen met de brommende stem van Jan De Wilde wagen ze zich aan Eels’ ‘Beautiful Freak’, maar we moeten toegeven dat we niet zo goed weten wat uiteindelijk van ‘Zalige Zot’ te denken.

Op andere vlakken is onze mening dan weer wel zeer uitgesproken, zoals in het geval van ‘Veel te mooie dag’ - dat trouwens opvallend veel weg heeft van het weergaloze 'Packing Blankets' van diezelfde Eels. Net zoals de zon te hard scheen op de dag dat goede vriendin Yasmine het tijdelijke voor het eeuwige inruilde, klinkt de gitaar hier te vrolijk voor het intrieste verhaal. Het Nederlands mag dan vaak als euvel voor goede popmuziek gezien worden, maar zorgt er hier enkel voor dat de hartbrekende boodschap nog acuter aankomt. Ook ‘Verder zonder haar’ klinkt opvallend opwekkend voor het relaas van wat Delrue laconiek “een echte wereldramp” noemt en met een aardige woordspeling zet hij ons op het verkeerde been. Dit keer geen liefdesverdriet, wel een vervaarlijk terugwijkende haarlijn.

Met de nodige uiterlijke ongemakken worden de mannen van Yevgueni groot en zo ook het ondertussen met het behangpapier van hun oeuvre versmolten personage Robbie. Zoals het hoort is ‘Robbie en de aftocht’ verre van een vrolijk nummer over gemiste kansen, spijt en “doodgewoon vergeten waar je nu had willen staan / en waarom het dan zo anders is gegaan”, door de strijkers op het einde met een extra laagje bitterheid overgoten. De beste metafoor voor opgroeien vinden we echter terug op ‘Hofstraat’, waar Delrue er met enkele rake woorden - een sponzen broek, een tunnel en een sportpaleis - in slaagt een heel nostalgisch universum op te roepen. “Ik huil niet mee, ik ben al groot” zingt hij, maar vergeef het ons als Yevgueni bij ons op tijd en stond toch nog voor een krop in de keel kan zorgen.

zaterdag 26 februari 2011

Zalige zot

Unicum, zo maar eventjes twee posts op één dag. Daar moet wel een erg goede reden voor zijn, hoor ik u denken. En die is er wel degelijk, want doorgaans loop ik niet over van de inspiratie - heeft u ongetwijfeld zelf ook al mogen merken aan de gestage groei van deze webpagina.

Maar vandaag kom ik met het heuglijke nieuws dat Yevgueni, Vlaanderens kleinkunsthoop in bange dagen, een nieuwe plaat uit heeft. 'Welkenraedt' heet het ding en binnenkort leest u er mijn onverbloemde mening over. Nu al kan ik u melden dat het Nederlands voor één keer geen beperking hoeft te zijn voor muziek, maar dat de vondsten in ons eigen taaltje hier keer op keer een glimlach op mijn lippen tevoorschijn toveren.

Oh, en de plaat heeft al bij voorbaat mijn eeuwige respect gewonnen dankzij deze cover van Eels' Beautiful Freak. Al blijft het origineel natuurlijk onklopbaar.


Band of Horses doet AB dromen

Band of Horses (+ Mika Noga and the Gents)
Ancienne Belgique, 24 februari 2011


Mike Noga kwam het podium van de AB opgeslenterd met zijn Gentlemen of Fortune, een verse kater na een nachtje Amsterdam en meteen ook het perfecte medicijn om die weg te spoelen; een frisse Belgische pint én een fles whisky. Dat leverde hem vanuit het publiek het bizarre compliment op dat hij dronk als Eddie Vedder - “I wish I had his money!” - maar ondanks dat excentrieke gedrag en songtitels als ‘All My Friends Are Alcoholics’ hield dit Australische viertal zich op muzikaal vlak eerder gedeisd. Hun mengeling van blues, pop en rock en dan zeker afsluiter ‘Down Like JFK’ - waar ze werden bijgestaan door Band of Horses’ toetsenist Ryan Monroe - wist aardig wat hoofden, handen en voeten in beweging te zetten, maar liet nooit een écht verpletterende indruk na.

Erg braafjes begonnen ook Band of Horses aan hun set en daarbij putten ze gelukkig niet enkel uit het laatste album ‘Inifinite Arms’, waarop naar onze bescheiden mening veel te weinig buiten de lijntjes gekleurd werd. Opener ‘Evening Kitchen’ werd verrassend gebracht; enkel Tyler Ramsey begeleidde de melancholische stem van Ben Bridwell op gitaar, wat voor een eerste ontwapenende chemie op het podium zorgde. Daarna leek het er echter al snel op dat het grootste euvel van die laatste plaat meteen ook een beetje de domper op het concert zou vormen. Op hun meest recente worp leunt Band of Horses namelijk te dicht aan bij de mainstream en zodoende nam titelnummer ‘Infinite Arms’ een aangenaam zweverige start, maar begon met te lange, weinig meeslepende gitaarinterventies al snel te vervelen.

Het weidse ‘Factory’ wist enigszins te charmeren, maar toch werden we pas echt wakker van ‘Cigarettes, Wedding Bands’ - niet toevallig van hun tweede langspeler ‘Cease to Begin’. Helaas gingen de emoties in Bridwells stem een beetje verloren in het gitaargeweld en spatte het spelplezier dat de band duidelijk in overvloed beleefde nog niet helemaal op het publiek over. Daarvoor was het wachten op ‘The Great Salt Lake’, dat rockt, zweeft en ontroert tegelijkertijd en bovendien een geweldig gevoel voor timing vereist - getuige daarvan de overenthousiaste fan die het refrein een tikkeltje te vroeg inzette. Kippenvel kwam er meteen daarop met ‘Is There a Ghost’ en ook ‘Islands on the Coast’ klonk snedig en uitgelaten - alleen spijtig dat Bridwell de hoge noten in het refrein niet altijd even feilloos aansloeg.

Vooral in de tweede helft van het concert werd gretig naar ouder materiaal teruggegrepen, wat voor een reeks opeenvolgende hoogtepunten zorgde. Tijdens ‘The General Specific’ waanden we ons even aan een kampvuur en konden we het niet laten simultaan met Bridwells tamboerijn ook onze handpalmen te verenigen en het sowieso al intens mooie ‘Part One’ kreeg een bloedstollend uitgesponnen finale. Ballade ‘No One’s Gonna Love You’ deed ons even geloven dat Band of Horses - ondanks het wandelend kleurboek dat Bridwell wel lijkt te zijn - vooral niet te hard moet proberen te rocken, maar meteen daarop was er het stomende duo  ‘Ode to LRC’  en ‘Wicked Gil’ om ons van ons ongelijk te bewijzen.

Klassieker in wording ‘The Funeral’ kondigde Bridwell aan als “our fake last song” en na een wel erg lange pauze werd eerst nog de jarige roadie door de hele AB in de bloemetjes gezet, waarop eersteling ‘Everything All the Time’ alleen verantwoordelijk was voor bisnummers ‘The First Song’ en het herhaaldelijk aangevraagde ‘Monsters’ - “Stop calling us that, it’s not polite” grapte Bridwell nog. Tekenend wel dat Band of Horses nieuwer materiaal ontweek in de finale van het concert, alsof het kwintet uit Seattle ook zelf besefte dat de bravere nummers uit hun laatste plaat er uiteindelijk voor zorgden dat deze passage in de AB als meer dan degelijk, maar verre van altijd overdonderend geboekstaafd zal staan.

dinsdag 15 februari 2011

De dreiging die flappert door de nacht

Best komiek eigenlijk. Greg Dulli, die in de jaren negentig nog aan het roer stond bij de Afghan Whigs en ons er ondanks vrouwvriendelijke lyrics als “I have a dick for a brain” toch van probeerde te overtuigen een gentleman te zijn, bracht uitgerekend op Valentijn een nieuw album uit. Zelfs voor de hopeloze singles onder ons viel er op 14 februari dus iets te vieren, want met ‘Dynamite Steps’ levert Dulli het zoveelste bewijs dat hij ook onder nom de plume The Twilight Singers nog steeds een - niet eens altijd zo - gevoelige snaar weet te raken.

Geen zorgen trouwens, de misogyne meester van weleer is na al die jaren nog niets van zijn pluimen verloren. “Spread your legs / Insert your alibi” klinkt het op ‘On the Corner’, dat gedreven wordt door korrelige gitaren, snedige strijkers en een ongemeen op de heupen werkende drumpartij. Het hele album is Dulli pur sang, maar tegelijk klinkt hij op ‘Dynamite Steps’ donkerder en melancholischer dan ooit. In een ver verleden zelf filmstudent geweest, beschrijft Dulli zijn albums graag als “shot on location” zonder expliciet duidelijk te maken waar dat dan juist moge zijn. Het oeuvre van Afghan Whigs laat zich misschien nog het best vastpinnen in een groezelige bar op zaterdagavond en wat Dulli met Mark Lanegan brengt als The Gutter Twins  lijkt ook daadwerkelijk in een vervuild stadsriool bekokstoofd. Dat laatste wel degelijk als compliment bedoeld.

In die traditie klinkt ‘Dynamite Steps’ alsof Dulli - en in zijn kielzog oa. Ani DiFranco, Joseph Arthur en Nick McCabe - net uit een mistig moeras komen gekropen. Opener ‘Last Night in Town’ teert aanvankelijk nog op relatief warme pianoklanken, maar in de achtergrond vóel je de ijzig koude wind in je vel snijden en wanneer de bijna smachtende gitaren invallen, kan dat tellen als intentieverklaring. “I promise to be with you ‘till the end” zingt Dulli, maar voegt er al even snel en kenmerkend aan toe “Or somewhere near the end” - de snoodaard. Meteen daarna volgt ‘Be Invited’, waar Dulli zich vocaal laat bijstaan door bloedbroeder Mark Lanegan, wat resulteert in een ongeziene dreiging en hardnekkig kippenvel dat zich voor de rest van de plaat tussen je poriën nestelt.

De vuurvliegjes die boven dat ingebeelde moeras zweven krijgen vorm op ‘Get Lucky’, terwijl Dulli met sobere drumslagen op de achtergrond zijn mantra “I get lucky sometimes” declareert en ‘Blackbird and the Fox’ drijft op een uitgepuurd gitaarritme en een bijna feeërieke samenzang met DiFranco. ‘She Was Stolen’ is dan weer een rustig, pianogedreven nummer waarover een kwade ziel zou durven beweren dat Dulli in de gewrochten van zijn ziel een vleugje Chris Martin of toch op zijn minst Guy Garvey aangetroffen heeft. Althans tot halverwege het nummer, wanneer dreunend gitaargeweld de overhand neemt en het onmiskenbaar Dulli zelf is die om een verloren liefde treurt.

Dulli pur sang schreven we en dus ook vaak een extreem wisselende dynamiek in één en dezelfde song, maar ons is de botsing tussen Dulli’s aangrijpende falsetto in de strofes en de stadionrock van het refrein in “The Beginning of the End’ net iets te abrupt. Hetzelfde fenomeen bij ‘Never Seen No Devil’, maar hier zorgt die kakofonie van rudimentaire violen en een gitaarriedel die wel uit een Amerikaanse traditional lijkt te stammen bizar genoeg wel voor de nodige dramatiek. Al helpt het vast dat Dulli hier voluit op de knieën gaat voor het zwakke geslacht. “Baby pull me even closer / Tangled like the web she weaves.”

Het cliché wil dat de leden van datzelfde, minder sterke geslacht er stuk voor stuk stiekem van dromen onderworpen te worden. Over dat soort Flairpraat wenst de redactie zich niet uit te spreken, maar bij het horen van de laatste streepjes catharsis die afsluiter en titelnummer ‘Dynamite Steps’ uitwasemt vonden we het alvast een groot gemis dat Greg Dulli hier op Valentijn niet voor de deur stond met zijn gitaar. En zijn alibi, dat ook.

maandag 14 februari 2011

All you need is love

Eens lekker tegendraads doen. In tegenstelling tot de échte hipsters van mijn generatie, heb ik géén afschuwelijke hekel aan Valentijn. Vorige edities had ik nog reden om het Feest van de Liefde te vieren - de 364 andere dagen van het jaar is liefde namelijk een werkwoord - maar dat was meestal buiten mijn toenmalige wederhelften gerekend. Zij waren - opgepast, kanjer van een eufemisme - niet meteen romantisch aangelegd en verder dan een etentje bij de plaatselijk Italiaan, samen met al die andere koppels zonder échte plannen, kwamen we niet op 14 februari. Eén keer ben ik er zelfs in geslaagd letterkoekjes te bakken die netjes 'Ik hou van je' spelden - we zijn allemaal puber geweest, toch? - die de onverlaat in één keer binnenspeelde. Uiteraard zonder de niet eens zo verborgen boodschap te hebben ontcijferd.

Vandaag moet ik het alleen zien te rooien en dat bespaart me me meteen de onvermijdelijke teleurstelling, wanneer blijkt dat Zijn kalenderskills wat te wensen over laten. Nog meer goed nieuws, nu kan ik probleemloos de hele dag melige nummers meekwelen zonder een wederhelft die me daar argwanend om bekijkt. Hieronder dus mijn lijst met enkele van de mooiste liefdesliedjes aller tijden, in willekeurige volgorde. Elke gelijkenis met bestaande lijstjes, berust op louter toeval. Of goede smaak, dat kan ook.

Nick Cave and the Bad Seeds - Into My Arms


Ik hou van alle incarnaties van Nick Cave - de geile bok bij Grinderman en de demonische vleermuis bij nummers als 'Red Right Hand' of 'The Mercy Seat' - maar misschien nog het meest van al van deze. Cave die alle schijn en bombast achterwege laat en gewoon een pijnlijk puur liefdeslied brengt. "I don't believe in the existence of angels / But looking at you I wonder if that is true."

The Beach Boys - God Only Knows


Echte liefde valt niet in woorden te vatten, en echt liefdesverdriet dus ook niet. De broertjes Wilson hebben dus overschot van gelijk wanneer ze er niet eens aan durven denken hoe ellendig ze zich zouden voelen zonder hun Ware. "God only knows what I'd be without you."

The Smiths - There is a Light That Never Goes Out

Een hele boterham, die titel. Maar de boodschap van dit nummer is dodelijk eenvoudig, en dodelijk doeltreffend. Want wanneer je echt verliefd bent, kan de hele wereld je gestolen worden. Ook de verkeersregels blijkbaar. "If a double-decker bus crashes into us / To die by your side is such a heavenly way to die." 

Coldplay - Green Eyes

Dit nummer schreef Chris Martin ooit voor zijn toenmalige liefje en het gerucht doet de ronde dat Gwyneth Paltrow het niet zo fijn vond wanneer haar echtgenoot het live bracht, omdat het niet over haar eigen persoontje gaat. Je zou je voor minder zorgen beginnen maken over je relatie wanneer je die tekst hoort. "Honey you are a rock, upon which I stand."

Bright Eyes - The First Day of My Life

Wat kan ik hier nog over zeggen. Een kinderlijk eenvoudig gitaarriedeltje en Conor Oberst die zo ongelooflijk oprecht klinkt, dat je hart er terstond van in tweeën breekt. Geweldige videoclip ook trouwens. "I'd rather be working for a pay check, than waiting to win the lottery."

Sufjan Stevens - The Dress Looks Nice On You

Weer zo'n liefdeslied, als dauwdruppels zo puur. Weinig variatie in de tekst, maar dat is niet erg als wat Sufjan te zeggen getuigt van zoveel vertrouwen en liefde.
"I can see a lot of life in you."


Radiohead - True Love Waits

Warning, meligheid op komst. Echte liefde doet soms ook gewoon pijn, en wie kan dat beter verwoorden dan Thom Yorke. Dit nummer gaat niet zozeer over liefde, dan wel over de wanhoop die erop volgt. Zo triest, maar zo schuun.
"I'm not living / I'm just killing time."

 
Uiteraard ben ik nu nog minstens honderd andere geweldige mooie nummers vergeten. Zo denk ik ondertussen zelf aan dat andere Cavenummer, 'Brompton Oratory' of aan The Boss en zijn 'Thunder Road' en zowat het halve oeuvre van The Beatles. Ik sta dus open voor suggesties, maar weet in elk geval dat als ik ooit trouw, één van de nummers hierboven geheid de openingsdans zal zijn. Nu nog leren slowen.

maandag 7 februari 2011

Afsluiten in stijl


Het begon nochtans veelbelovend voor The Streets. Op debuut ‘Original Pirate Material’  ontpopte Mike Skinner zich als de eerste Britse rapper die ook zonder overbodige bling bling opmerkelijk aanstekelijke ritmes uit de mouwen van zijn trainingspak wist te schudden en met conceptplaat ‘A Grand Don’t Come For Free’ toonde de jonge geezer uit Birmingham zich bovendien een begenadigd verhalenverteller. Skinners sterkte lag in de herkenbaarheid van zijn lyrics, maar van uit de hand gelopen cafébezoeken en aanschuiven in de pitazaak was op zijn twee laatste platen - ‘The Hardest Way to Make an Easy Living’ en vooral ‘Everything Is Borrowed’ - nog bitter weinig te bespeuren. Van hits als ‘Weak Become Heroes’ of ‘Dry Your Eyes’ bijgevolg al evenmin.

Met ‘Computers and Blues’, officieel het laatste album van zijn alter ego The Streets, krijgt Skinner nu de kans om muzikaal revanche te nemen. De hoes toont alvast plain and simple studentenkoten in East Anglia - na respectievelijk een poepsjieke auto en een indrukwekkende waterval voor ‘The Hardest Way’ en ‘Everything Is Borrowed’ - en ook Skinners teksten getuigen van een terugkeer naar zijn roots. In het heerlijke lome ‘Roof of Your Car’ mijmert hij over “electronic implants for the brain / that simulate raving sensations, Wayne” en wij kunnen ons alvast weinig alledaagser voor de geest halen dan een Facebookstatus, maar toch slagen The Streets erin ook daar een heel nummer rond te spinnen. ‘OMG’ is een ontwapenend verhaaltje dat op ‘A Grand Don’t Come For Free’ hoegenaamd niet had misstaan en Skinner verdient een pluim - wat zeggen we, een hele pauw - om het legendarische lettertype Helvetica uit de losse pols te doen rijmen op “walk away and let it go”.

Vroeger werd Skinner door critici - die zijn oerbritse sound verkeerdelijk aan de gladde beats van Amerikaanse hip hop toetsten - wel eens een gebrek aan muzikale timing verweten, maar ook op ‘Computers and Blues’ etaleert hij een onnavolgbaar gevoel voor ritme. De instrumentale inkleding van de vertelsels baant zich feilloos een weg naar je trommelvlies, zonder ooit de aandacht af te leiden van Skinners perfect gedoseerde woordenwaterval. ‘Computers and Blues’ is misschien zelden écht vernieuwend, maar aan een goed recept hoeft niet oneindig gesleuteld te worden en al zeker niet wanneer het vondsten oplevert als “You can’t Google the solution to people’s feelings” in ‘Puzzled By People’ of “There’s always light at the end of the tunnel / Maybe it’s a train” in ‘Going Through Hell’. Dat laatste klinkt trouwens wel radicaal anders - Skinner laat er samen met Robert Harvey van The Music zowaar de Angus Young in zichzelf los - en werd terecht tot eerste single gebombardeerd.

Afscheid nemen doet Skinner dus in stijl, al blijft ook het sluitstuk van zijn muzikale carrière - of toch die van het moniker The Streets - niet geheel van mankementjes bespaard. Zo is ‘ABC’, waarin hij elke regel eindigt met de volgende letter van het alfabet, niet meer dan een aardige stijloefening en kan ‘Blip On a Screen’ met zijn ingehouden, zeg maar saaie refrein enkel onze sympathie winnen omdat Skinner het schreef voor zijn toen nog ongeboren dochter. “You’re growing thumbs / I’m growing numb.” Gelukkig is er nog de toepasselijk getitelde afsluiter ‘Lock the Locks’, een verfrissend dromerig nummer waarin Skinner zich met een voor hem kenmerkende dosis zelfspot verplaatst in het vel van een kantoorklerk die zijn ontslag aanbiedt. ”I’m packing up my desk / Put it into boxes / Knock out the lights / Lock the locks and leave.” We zullen je missen, Mike.

donderdag 27 januari 2011

Onder lichte dwang

Niet nader bepaalde bronnen in mijn omgeving wisten me te vertellen dat ik "echt wel te weinig post op mijn blog". Omdat ik nu eenmaal mijn medemens niet graag teleurstel, heb ik me nog maar eens aan mijn toetsenbord genesteld. Om dan vast te stellen dat ik hoegenaamd niets weet om over te schrijven, laat staan dat ik de moed zou hebben om het in een ludieke post te gieten.

Dat soort dag is vandaag dus, maar een You Tube-filmpje of twee drie kon er nog net af. Om in de sfeer te blijven...








Zo goed, Tinne?

dinsdag 11 januari 2011

Beste meter, liefste peter

Ondertussen zijn we al 11 dagen ver in het nieuwe jaar - hoewel het nog minstens drie maand zal duren eer ik er in slaag me dat ook te herinneren bij het invullen van mijn Go Pass. Iets te laat voor een nieuwjaarsbrief, en goede voornemens maak ik al lang niet meer. Niet zozeer omdat ik me er niet aan kan houden, wel omdat ik sowieso al een goedheilig mens ben. Ik rook niet, drink niet (overmatig), doe regelmatig aan sport en op tijd en stond durf ik zelfs al eens de deur open te houden voor mijn medemens. Met de glimlach.

Maar omdat zo'n nieuw jaar toch iets speciaals blijft - getuige daarvan de overdosis gourmet, cava en chocoladetaart - wijd ik er hier toch een post aan. Zonder voornemens, wel met een heleboel leuke vooruitzichten. Het eerste daarvan is al deels voorbijgestreefd, want ik keek enorm uit naar de nieuwe reeks van Neveneffecten. Ik heb me destijds een driedubbele breuk gelachen met de capriolen van de broers Tupolev, de praatgroep voor bedreigde diersoorten en uiteraard ook de kweetnieoewijsdemaxmaat Professor Kenny. Gisteren stond de digicorder dan ook geprogrammeerd voor hun nieuwe programma Basta - zelf zat ik mij Verloren Maandagsgewijs vol te proppen met worstenbrood en appelbollen. De enthousiaste reacties op blogs en feestboeken allerhande doen me het beste verwachten, al verbaast me dat geenszins van de Neven.

Ook op muzikaal vlak heeft 2011 heel wat moois in petto. Alleen al in februari ga ik naar drie concerten - Cold War Kids, Absynthe Minded en Band of Horses - in april ga ik eindelijk indiehelden Belle & Sebastian in levenden lijve zien en dan is het jaar nog niets eens halfweg. Ook heel wat veelbelovende nieuwe platen op komst in datzelfde jaar, dus ik kijk vol spanning uit naar nieuw materiaal van Bright Eyes, The Streets en als ik de geruchten mag geloven ook van Radiohead en Nick Cave & the Bad Seeds. Hopelijk is daar ook een tour aan verbonden en passeren den Thom en de Nick ook eens in Brussel.

Maar het meest van al nog, kijk ik uit naar dé comeback van 2011. Dat is niet die van Sha-na, zelfs niet die van Pulp - al hoop ik van harte deze zomer op één of andere festivalweide luidkeels van "I wanna live with the common people" te kunnen brullen - maar wel die van Hans Teeuwen. De bad boy van het Nederlandse cabaret staat na 7 jaar weer op de planken met Spiksplinter. Uiteraard al eeuwen hopeloos uitverkocht, maar ik ben erin geslaagd met heel veel geduld en doorzettingsvermogen toch nog tickets te bemachtigen. For old time's sake...

zondag 26 december 2010

The Final Countdown

Jepla, het is weer bijna tijd voor veel te veel gourmet,  decadente desserts, een overdosis champagne en vuurwerk. Maar eindejaar is vooral de tijd van de lijstjes, dus mijn overzicht kon ook zeker niet ontbreken.


      2010 was het jaar van The National, laat daar geen twijfel over bestaan. Ik was al langer verknocht aan de bariton van Matt Berninger en ‘Start A War’ heeft mij  door de nodige porties liefdesverdriet gesleurd, maar met ‘High Violet’ heb ik er een heel album nieuwe heartbreak songs bij. Voor de  overweldigende schoonheid die van de nummers uitgaat, bestaan geen woorden. Of toch, kippenvel!
   
     
     
2) Titus Andronicus - The Monitor

De explosieve tweede van Titus Andronicus is niet alleen een adrenalinebom om ADHD tegen te zeggen, maar ook een soort muzikale Trivial Pursuit. Muziek voor betweters als ik, vol verwijzingen naar historische speeches van Abraham Lincoln en Walt Whitman, naar de enige echte Bruce Springsteen, maar evengoed naar de moderne popcultuur van ‘The Dark Knight’. “This town deserves a better class of criminals, well I’m gonna give it to them tonight!”
   
    

      3) The Tallest Man On Earth - The Wild Hunt
Zweed van het jaar is voor mij niet Robyn - al komt ze wel in aanmerking als workaholic van 2010 - maar de stiekem niet zo lange Kristian Matsson. The Tallest Man On Earth heeft aan een gitaar, bliksemvlugge vingers en een stem die nog nasaler kinkt dan Dylan genoeg om mij een heel album lang achterover te blazen. ‘King of Spain’ barst van de levensvreugde en ‘Love Is All’ tovert dan weer keer op keer tranen in mijn ogen.
 

     4) These New Puritans - Hidden
Mijn eindejaarslijst pendelt opvallend heen en weer tussen rustige, hartverscheurende platen en albums die je genoeg energie geven om zelfs de meest donkere winter door te komen. ‘Hidden’ is er duidelijk één van de tweede soort en hoewel These New Puritans op Pukkelpop een beetje teleurstelden, voelt ‘Attack Music’ elke keer weer aan als een uppercut waar Sugar Jackson jaloers op zou zijn. 
     

      5) Arcade Fire - The Suburbs
De release van ‘The Suburbs’ is deze zomer een beetje aan mij voorbij gegaan, waarschijnlijk omdat ik toen in voorbereiding op Pukkelpop een hele maand ‘High Violet’ grijsgedraaid heb. Maar Arcade Fire mocht als mijn favoriete band van het voorbije decennium niet in dit lijstje ontbreken, in volle kerststemming heb ik ze dus nog een kans gegeven. ‘The Suburbs’ mist  voor mij grote kleppers als ‘No Cars Go’ of ‘Rebellion Lies’, maar alle nummers zijn zo perfect op elkaar afgestemd dat de Canadezen me toch voor de derde keer op rij wisten te overtuigen.
  
     
    
      6) Grinderman - Grinderman II
Alleen al voor de schitterende album art (die gladiatorpakjes!) verdient deze brok testosteron een plekje in de annalen van 2010. Op hun titelloze eerste lieten Cave en co. al eens de oerman in zich los, maar daar bleef het vooral bij beheerste dreiging die in ‘Go Tell the Women That We’re Leaving’ haar hoogtepunt bereikte. De explosie volgt hier op ‘Grinderman II’, waar Cave al zijn demonen met zijn stembanden te lijf gaat. Proefondervindelijk bewezen:  meekwelen op ‘Heathen Child’ is dé oplossing voor elke pendelaar die wil vermijden zijn NMBS-gerelateerde frustraties op zijn medereizigers te botvieren.

    

      7) Yeasayer - Odd Blood
De lege batterij van mijn GSM zorgde er op Pukkelpop voor dat ik het concert van Yeasayer moederziel alleen - in een enthousiast rondspringende massa uiteraard - mocht aanschouwen, maar al gauw trok ik me daar niets meer van aan en stond ik al even enthousiast mee te springen. ‘Odd Blood’ is een energiek, eclectisch en elektronisch stukje muziek dat je  terugvoert naar de betere momenten van de eighties. Eentje waarop het onmogelijk gebleken is stil te zitten.
     
 
      8) Vampire Weekend - Contra
Nog zo ‘n plaat waarop je gewoon als een kip zonder kop moet rondspringen en alle ledematen een kans krijgen om de kamer te verkennen. Vampire Weekend zet de traditie van Paul Simon aardig verder, maar weet op zijn tweede album evengoed een gevoelige snaar te raken. ‘I Think Ur A Contra’ is traag en dromerig, maar vooral meeslepend als een tsunami.
     

      9) Isobel Campbell & Mark Lanegan - Hawk
Op een podium ontbreekt soms de chemie bij deze moderne Belle en het Beest, maar op plaat druipt de magie tussen Campbell en Lanegan er in bakken af. Wat daarom niet betekent dat Willy Mason hier een ongewenste gast is, of dat Campbell zonder het schuurpapieren geweld van Lanegan hopeloos verloren is. ‘Time of the Season’ is overigens de perfecte soundtrack om - samen met de mopjes van de obligate zatte nonkel - die vervelende familiefeesten op te vrolijken.

     
  
            10) Laura Marling - I Speak Because I Can
Nog eens een rustpunt aan het einde van het jaar, een vrouw met haar gitaar. Daar waar The Tallest Man On Earth wervelend gitaarspel combineert met dito teksten, laat Laura Marling vooral haar warme stem primeren. Niet dat de lyrics ervoor moeten onderdoen, want ‘I Speak Because I Can’ getuigt van een indrukwekkende levenswijsheid bij de nog steeds maar twintig jaar oude Marling.
     

vrijdag 24 december 2010

Later, als ik groot ben…

Consternatie alom, toen ik vanochtend voor de spiegel een eerste grijs haar in mijn verder weelderige haardos bespeurde. Mijn lichaam probeert me duidelijk te maken wat mijn hoofd al een tijdje probeert te onderdrukken: ik word oud. De rimpels op mijn voorhoofd zijn voorlopig op de vingers van één hand te tellen en ook de rollator kan ik nog even achterwege laten, maar 23 lentes is toch niet niks. Om van die zomers, herfsten en winters nog maar te zwijgen.

Toen ik nog een ukkie was, waren mensen van 23 voor mij bejaarden die bij de minste opwinding naar hun stoma moesten grijpen - al kende ik dat woord hoogstwaarschijnlijk nog niet. Ook toen ik de gezegende leeftijd van 13 bereikt had en mezelf dus tot het rijk der tieners mocht rekenen, leek iedereen die al 23 jaar op deze aardbol rondzwierf, op zijn minst een echtgenoot en meestal ook het nodige nageslacht vergaard te hebben. En zelfs op mijn achttiende verjaardag - toen ik alvast officieel meerderjarig werd - had ik lichtjes andere plannen in het achterhoofd voor mijn 23-jarige zelve. Een job, een huis en liefst ook iemand om dat samen met mij te bewonen, dat leek me nu niet meteen te veel gevraagd.

Wel, is me dat even anders uitgedraaid. Na bijna 6 jaar studeren heb ik wel 3 diploma’s op zak, maar ik woon nog steeds op een armtierig kot. Zonder man om  de afwas te doen of het gras af te rijden - misschien nog een geluk dat ik niet vaak zelf kook en geen tuin heb. Maar er is beterschap in zicht, want vanaf september 2011 wordt mijn Gentse alma mater ook officieel mijn werkgever. Een aantrekkelijk salaris durf ik best een goede stap noemen in de richting van een eigen appartement en als ik dat gezellig inricht - en wat aan mijn kookkunsten schaaf - komt er ooit wel iemand dat lege plekje naast mij in bed opvullen.

September 2011 begint dus ook voor mij het Echte Leven. Alleen staan die hoofdletters daar niet om aan te tonen hoe hard ik sta te popelen om volwassen te worden, maar eerder om dat hele gedoe toepasselijk naast andere horrorklassiekers als Dracula en Frankenstein te klasseren. Een job brengt niet alleen geld mee, maar plots ook angstaanjagend veel verantwoordelijkheid. Zorgen ook wel. En laat dat nu net iets zijn waar ik voorlopig in ware Peter Panstijl in een grote boog omheen gelopen ben. Als veredelde anderhalve meter heb ik de hoop ooit letterlijk groot te worden al lang opgeborgen, maar ook figuurlijk hoeft het voor mij zo’n vaart niet te lopen.

Ik heb nog minstens 41 jaren te gaan als werkmens en er wacht me nog een heel leven om een zielsgenoot te vinden, daar kindjes mee te maken en dan te besluiten dat hij tóch niet zo bij me past en er een nieuwe te zoeken. Laat me dus nog maar even onbezonnen student en single zijn. Mijn grootste zorg - op die dreigende deadline na - is wat straks de pot schaft. Mamaaaaaa?

zaterdag 18 december 2010

Billy Elliot op speed

Op weg naar de AB moest menig pendelaar een ware sneeuwstorm trotseren en misschien zaten de stevig onderkoelde voetjes er wel voor iets tussen, maar er werd  donderdag in de Brusselse concertzaal aardig wat rondgehost. Het publiek was gekomen om zich te warmen aan de zomerse deuntjes van The Drums, maar ook het dubbele voorprogramma kreeg de aarzelend toestromende meute in beweging. 

Zo zagen drie man, een paardenkop en ondergetekende het Deense duo Champagne Riot een heuse eighties revival starten. Muzikaal zat het met bitterzoete melodieën wel snor, maar aan de podiumprésence mag nog wat gewerkt worden. Of we zouden bijna gaan geloven dat het muzikale brein doodleuk patience aan het spelen was op zijn laptop. Hoewel hij over ‘Stage Fright’ zingt, was daar bij de tweede act van de avond weinig van te merken. Patrick Cleandenim kwam het podium opgeschreden als een incarnatie van de dood uit Bergmans ‘Seventh Seal’, maar dan met cowboyhoed. Ook hier één en al eighties wat de klok sloeg, al was dat decennium plots nog een pak donkerder getint. Wij onthouden vooral het dramatische ‘Little Baby Party’ - elk nummer waarin Béla Lugosi opduikt, heeft bij ons namelijk een streepje voor.

Qua over the top performance kan echter niemand tippen aan Jonathan Pierce. De frontman van The Drums leek in zijn trainingsvestje vervaarlijk op cultheld Pico en deed ons met zijn absurde danspasjes en algehele overgave nog het meest denken aan Billy Elliott op speed. Een toevallige passant zou bijna vermoeden op de audities voor ‘So You Think You Can Dance’ verzeild te zijn, want ook gitarist Jacob Graham fladderde als een bezetene over het podium. Het oog wil ook wat en kreeg dat zeker met de capriolen van de stichtende leden van The Drums, maar uiteindelijk moest er toch vooral muziek gemaakt worden.


En daar wrong af en toe het schoentje, want het concert ontaardde al snel in chaos. Openingstrio ‘Best Friend’, ‘Submarine’ en ‘Book of Stories’ was moeilijk van elkaar te onderscheiden en op ‘Make You Mine’ verzonk de stem van Pierce bijna volledig in de kakofonie van de andere muzikanten. Al schreeuwde die laatste zich nog zo de ziel uit het lijf en was het ons niet helemaal duidelijk of en hoe gitarist Graham er in godsnaam in slaagde zijn getrippel ook effectief met getokkel te combineren. Zomerhitje ‘Let’s Go Surfing’ - één van de twee nummers die de overstap van EP naar album overleefd hebben - zorgde een eerste keer voor ambiance en tijdens ‘I Need Fun In My Life’ dook Pierce halvelings het publiek in. 

Tijdens ‘Don’t Be A Jerk, Johnny’ moest even van die bokkensprongen bekomen worden. Het nummer werd ingehouden en beheerst gebracht - voor zover dat met het repertoire van The Drums te rijmen valt- en zorgde daardoor voor het eerste echte hoogtepunt. ‘Forever and Ever Amen’ werd dan weer energiek en overtuigend gebracht, en opgedragen aan het nog steeds enthousiast rondspringende publiek. Afsluiten deden The Drums met het melancholische ‘We Tried’, waarvan de tekst - “Where will we go when we get old?” - ons vooral deed afvragen of Pierce en co. binnen pakweg 10 jaar nog altijd zulke spring-in-’t-velds zullen zijn.

Ons niet gelaten, mens sana in corpore sano weet u wel. Alleen mogen we hopen dat ze tegelijk een beetje aan het samenspel binnen de groep werken, zodat hun nummers live ook even zomers klinken als op plaat. Tijdens bisnummer ‘Down By the Water’ vergastte Graham ons zelfs op een staaltje interpretative dance om U tegen te zeggen, maar het is een teken aan de wand dat het vooral die danspasjes zijn die ons nog wel even zullen bijblijven. Wat de muziek betreft niet meteen een passage voor de geschiedenisboeken.

Oh, en voor wie die danspasjes zelf eens wil beoordelen, hieronder alvast de clip voor Best Friend. Al is het live nog minstens 10 keer erger.

Ik heb altijd gelijk, tenzij u me van het tegendeel kan overtuigen!

Bijna Kerstmis, dus ik vraag mijn virtuele publiek om een goed doel te steunen. Music For Life is me wat te mainstream - al ga ik daar op de Groenplaats deze week ongetwijfeld ook een warme chocomelk komen drinken, dus hou ik het wat dichter bij huis. Een opmerkzaam lezer heeft ondertussen zelf ook al gemerkt dat ik mijn bescheiden schrijfkunsten af en toe uitleen aan het online muziekmagazine Digg*. Traditie wil dat ook wij van de muziekredactie op het einde van het jaar door de nodige lijstjesgekte overvallen worden en  plichtsbewust een overzicht maken met wat volgens ons dé platen van 2010 zijn.

Maar rust roest, dus hebben we besloten dit jaar dat hele concept overhoop te gooien. Weg met de overheersing van de elite der indies, vanaf dit jaar mag ook ons publiek mee stemmen. En wel via deze link! Voor u, eigenzinnige lezer van mijn cultureel geïnspireerde blog, de ideale gelegenheid om zelf ook eens uw gedacht te zeggen. Aan de karige reacties op mijn blog kan ik afleiden dat mijn publiek ofwel geen mening heeft, ofwel te bang is om mij tegen te spreken. Aangezien ik vooral dat laatste niet geheel onbegrijpelijk acht, via een omweg toch nog de mogelijkheid het niet met mij eens te zijn. Onder de veilige vleugel der anonimiteit dan nog. U weet wat u te doen staat!

donderdag 16 december 2010

Never got cold wearing nothing in the snow

Hoewel ik een enorme arty farty indie nerd ben -om het met de woorden van een kritische kennis te zeggen- liggen in mijn kast toch maar drie bandshirts. Niet alleen omdat die dingen onmenselijk duur zijn, ongetwijfeld in een Thaise sweatshop gemaakt worden en veelal als een parachute rond je lichaam zweven, maar ook omdat ik die eer voor een select clubje wil bewaren. Uiteraard hoort vleermuis Nick Cave daarbij, maar het is buiten al donker genoeg zonder een extra laagje zwartgalligheid. Ook The Tallest Man on Earth ligt sinds kort te pronken in mijn kleerkast, maar aan die niet eens zo lange Zweed kan je hieronder al een ode lezen.

Nummer drie dus en die lichtjes geniale band is meteen ook de ultieme remedie tegen de winter, die de temperaturen buiten en ook mijn humeur ver onder nul houdt. Ik ben vast niet de enige die The Shins leerde kennen dankzij de soundtrack van Garden State. En dan vooral dankzij deze melige en toch memorabele scene waar Natalie Portman beweert dat de band, en hun nummer New Slang haar leven veranderd hebben.

.

Ondanks -of net dankzij- die elfenoortjes kan ook ik Natalie Portman onmogelijk ongelijk geven en dus ging ik als overenthousiaste puber op zoek naar méér Shins. Die vond ik in de 'platenwinkel' - ahum- en al snel werd ik ondergedompeld in een zeemzoete melancholie zoals ik die daarvoor enkel bij Eels had gehoord. New Slang van hierboven doet je wegzweven naar zonnigere tijden zonder deadlines, maar slaat je tegelijk murw door dat eerie sfeertje.

The Shins maken echter vooral nummers die je probleemloos weer oppikken uit je winter -of whatever- blues en je als een bezetene in het rond doen springen. Dat doen ze met aanstekelijke refreintjes, wat occasioneel gefluit en vooral veel handengeklap. Probeer maar eens stil te zitten op Caring is creepy, Know your onion of Kissing the lipless. Maar mijn persoonlijke favoriet blijft toch So Says I, dat echt alle ingrediënten heeft om je door twintig opeenvolgende Siberische winters te sleuren. Dat geratel! Die filosofische boodschap! Die dreunende gitaren! Maar vooral die gilletjes!

'Cause this is nothing like we'd ever dreamt
Tell Sir Thomas More we've got another failed attempt
'Cause if it makes them money they might just give you life this time
Whooohooohooowhoohoo!


woensdag 15 december 2010

Sad but true



Geweldig geanimeerd filmpje over een fenomeen dat ons dezer dagen allemaal in de ban houdt: uitstelgedrag. Want als je nog een politiek werkstuk en een interview moet afwerken, lijken de afwas en de boodschappen  meteen een pak aanlokkelijker. En toch een korte post, want ik heb nog stuff to do.


En wie liever nog een beetje procrastineert, moet zeker ook eens de andere filmpjes van Lev Yilmaz checken. Zoals daar zijn What would Penis do?

zaterdag 4 december 2010

Once upon a midnight dreary

Het is december en die maand brengt niet alleen sneeuw, een overvloed chocolade en mandarijnen en melige kerstliedjes met zich, maar helaas ook een berg deadlines. Elk zinnig mens zet zich dan achter zijn bureau en werkt stevig door om die taken op tijd af te krijgen. De procrastinators onder ons - want ik hoop dat ik niet alleen ben - houden zich dan liever bezig met alles wat niet naar school, artikels en achtergrondverhalen ruikt. En op zo'n momenten biedt het wereldwijde web uren welgekomen - maar met het oog op die deadlines ook gevaarlijk verslavende - verstrooiing.

Zo stootte ik vanmiddag op dit heerlijke stukje stop-motion animatie. Ook voor hij Johnny Depp, Helena-Bonham Carter en duizelingwekkende budgetten ter beschikking had, maakte Tim Burton al donker getinte pareltjes. In dit gedicht worden we meegezogen in de leefwereld van de jonge, op zijn zachtst gezegd bizarre Vincent. Net als zijn bedenker Tim Burton is hij dol op de duistere poëzie van Edgar Allan Poe en is horroracteur Vincent Price zijn grote idool.  Vergeet dus even dat je nog 5 minuten interview moet transcriberen, elvendertig bronnen moet opbellen en godbetert een leuk onderschrift voor je foto moet bedenken, en droom mee weg.



Hier trouwens één van de mooiste versies die ik ken van het gedicht 'The Raven' van diezelfde Edgar Allan Poe. De schuurpapieren stem van Mark Lanegan en het ijle gezang van Isobel Campbell vormen de perfecte combinatie en ondanks de Siberische temperaturen smelt ik keer op keer.

vrijdag 26 november 2010

Beter dan Wiki


Over de doden niets dan goed, dus valt het ons nogal moeilijk om een review te schrijven van ‘An Introduction to ... Elliott Smith'. De goede man - God hebbe zijn ziel - schrééf nu eenmaal breekbare, intieme en toch overweldigende songs, en we kunnen het er allemaal over eens zijn dat hij te vroeg gestorven is. Met het nodige gevoel voor dramatiek ook. Maar of deze verzamelaar van Kill Star Records, het voormalige label van de harakirikunstenaar bij uitstek, ook effectief een meerwaarde in onze platenkast vormt, is nog maar de vraag.

Bij zulke initiatieven kan uiteraard eeuwig gekibbeld worden over welke nummers overbodig zijn en welke eigenlijk niet hadden mogen ontbreken. Zo vragen wij ons bijvoorbeeld af waar het ontwapenende ‘Say Yes' of de heerlijke woordenstroom van ‘Memory Lane' - "uncomfortable apart, it's all written on my chart" - gebleven zijn, maar dat is eigenlijk naast de kwestie. Met ‘An Introduction...' wil Kill Star Records in de eerste plaats een nieuwe generatie muziekliefhebbers onderdompelen in het oeuvre van Smith, "providing a pathway for people to delve more deeply into his immensely satisfying catalog". Trouw aan die missie biedt de plaat een breed spectrum aan Smithnummers, van indiedebuut ‘Roman Candle' uit 1994 over het postuum uitgebrachte ‘From a Basement on a Hill' (2004) tot ‘New Moon' (2007), waarop een aantal nooit eerder uitgebrachte opnames gebundeld werden.

Kill Star Records zet zijn inleiding alvast sterk in met ‘The Ballad of Big Nothing' als opener. Dit nummer vanop ‘Either/Or' (1997), in alternatieve middens unaniem als Smiths sterkste album bestempeld, laat een ijl klinkende Smith aan het woord over de drugsspiraal waarin hij verzeild geraakt is, en klinkt met "a tired man with only hours to go, just waiting to be taken away" in retrospect plots heel wat gewichtiger. Het is bovendien hét perfecte voorbeeld van de muziek waar Smith voor staat: een akoestische gitaar, breekbaar gezang en impressionistische lyrics. Smiths nummers vertellen niet zozeer een verhaal, maar proberen eerder een stemming op te roepen.

Vaak tonen die momentopnames de minder mooie kant van de roem, zoals op ‘Angeles', waar het feeërieke gitaarwerk de harde realiteit van het leven in Los Angeles niet kan verdoezelen, of op ‘Between the Bars', waar de tastbare hartenzeer van Smith zich op de snaren van zijn gitaar doorzet, die wel met hem mee lijken te janken. Het leeuwendeel van de nummers op deze ‘Introduction' - naast de drie hierboven ook nog het vrijwel iconische ‘Pictures of Me' en het hypnotiserende gedreun van ‘Alameda' - werd van doorbraakalbum ‘Either/Or' geplukt, maar ook ander werk van Smith komt aan bod. Zij het iets minder uitgebreid.

Vanop debuut ‘Roman Candle' krijgen we bijvoorbeeld enkel ‘Last Call' te horen, maar dat ene nummer toont wel perfect de lange weg die Smith heeft afgelegd. Zijn stem klinkt hier lager, zwaarder dan we van hem gewend zijn, maar de zwaarmoedige stemming - "waiting for sleep to overtake me" - had hij zich ook toen al eigen gemaakt. De engelenstem die we later als die van Smith zouden gaan herkennen, toont zich voor het eerst ten volle op ‘The Biggest Lie', vanop ‘Elliott Smith' uit 1995. Smith zingt hoog, de lyrics kerven zich een weg naar je ziel en het schijnbaar eenvoudige gitaarwerk bevat toch een aantal verrassende variaties.

Dat Kill Star Records voor deze verzamelaar verantwoordelijk is, blijkt wel duidelijk uit de songkeuze. Vanop ‘XO', Smiths eerste worp voor major label DreamWorks uit 1998, krijgen we maar één nummer. Gelukkig is dat wel het wondermooie ‘Waltz # 2', met een intro waar golf per golf nieuwe instrumenten opduiken om voor een wervelend samenspel van gitaar, piano en subtiele drums te zorgen. Ook van zijn latere werk - ‘Figure 8' en ‘From a Basement on a Hill' - is betrekkelijk weinig te bespeuren, waardoor deze ‘Introduction' beperkt blijft tot net dat. Een inleiding, waarna de nieuwsgierige luisteraar hopelijk zelf de tijd neemt het oeuvre van Elliott Smith te verkennen.

Overigens wel hoedje af voor Kill Star, dat een plaat van een notoire zwartkijker durft te laten eindigen met het ironisch vrolijk klinkende ‘Happiness/The Gondola Man'. "All I want now is happiness for you and me". Dat geluk heeft hij helaas nooit gevonden, waardoor wij ongetwijfeld nog talloze geniale platen mislopen zijn.

maandag 22 november 2010

Because you named me as your lover, I thought I could be anything

Zijn jeansbroek spant zo hard dat zijn kindergeld er ongetwijfeld bij inschiet - pun intended - en in wezen is hij verre van boomlang, maar toch tekende The Tallest Man On Earth voor hét concert van Pukkelpop 2010. Samen met horden pubermeisjes trokken wij zaterdag dus naar de Botanique om nog eens weg te dromen in de ogen van Kristian Matsson, maar eerst nog het voorprogramma. Idiot Wind mag haar artiestennaam dan wel bij Bob Dylan gaan halen zijn, aan haar songs moet ze nog wat schaven. Hetzelfde geldt voor haar garderobe, want dat korte rokje kroop vervaarlijk omhoog terwijl ze zenuwachtig achter haar klavier heen en weer schuifelde. We hoorden flarden Norah Jones, een vleug Regina Spektor, maar vooral te veel galm op de piano en een pak nummers die onderling perfect inwisselbaar waren. 

Ook de hoofdschotel van de avond moest het doen met zijn stem en één instrument - afwisselend een van zijn 4 gitaren of de piano - maar The Tallest Man On Earth slaagde er wel in 16 nummers te brengen met een onmiskenbaar eigen sound. Al na de eerste noten werd elke song - naar eigen zeggen zowat allemaal over “birds and mountains” - door een zeer devoot publiek herkend en al snel kreeg de Grootste alle handen op elkaar. Met ‘I Won't Be Found’ toonde Matsson bovendien dat hij aan oudere nummers durft sleutelen: de snaren klonken warmer dan op plaat, er zat -nog- meer variatie in het gitaarspel, maar op lyrics als “never used the sun to see the light” schreeuwde hij als vanouds zijn stembanden stuk.

Dat toegewijde publiek heeft The Tallest Man On Earth dan ook niet enkel te danken aan zijn songs - al valt daar bitter weinig aan op te merken - maar ook en misschien vooral aan zijn onvoorwaardelijke overgave op het podium. Als een bizarre mengeling van een kalkoen en een flamingo nam hij elk hoekje van het podium in, hij deinsde er niet voor terug om een aantal gelukkigen op de eerste rij indringend in de ogen te kijken en wanneer hij op ‘Thousand Ways’ zong “If I don’t get you in the morning / by the evening I sure will’, probeerde hij de hele Botanique ook écht daarvan te overtuigen. 

Onze liefde voor Matsson gaat terug op ‘Pistol Dreams’, dat meteen uit de band sprong op de soundtrack van de Zweedse televisieserie ‘Upp till kamp’ en ook vanavond wist deze indrukwekkende woordenstroom en dito wervelwind van gitaar ons omver te blazen. Nauwelijks rechtgekropen na die pletwals, kregen we met ‘Love Is All’ alweer een dreun van jewelste. Tijdens het stemmen van zijn gitaar schiep The Tallest Man een dreiging die de haartjes op onze arm deed rechtstaan en die vreemde grijns om zijn lippen - hij speelde het hele nummer met de ogen toe - liet dat nog even zo. “Sorry If I seem angry or something, I’m not. It’s just the song”, excuseerde hij zich achteraf voor zoveel inleving.

Misschien zat het Belgische bier er voor iets tussen, maar The Tallest Man On Earth was in de Botanique opvallend spraakzaam. Hij excuseerde zich uitgebreid voor het langdurige stemmen van zijn verschillende gitaren - inderdaad een werkpunt - en bracht ook de nodige zelfrelativering aan de dag in zijn bindteksten. ‘King of Spain’ werd aangekondigd als “exactly the same song as ‘Love Is All’, with just a little more dancing. Maybe that just makes it creepier”. De zaal kreeg hij met deze klassieker in wording alvast helemaal mee; hij liet zijn tong heerlijk vettig rollen op “because you named me as your llloverrr” en stampte zo enthousiast met zijn voeten dat we het podium letterlijk voelden daveren.

Daarna even tijd voor een rustpunt in de set - “to see if it’s not just the dancing, it’s the songs also” - dat met een door merg en been gaand ‘Tangle in this Trampled Wheat’ sterk werd ingezet, maar met ‘Like the Wheel’ toch even stilviel. Hij mag dan nog op de piano van Roxette (!) spelen, wij horen Kristian Matsson toch het liefst aan het werk op de gitaar, die hij gelukkig weer bovenhaalde voor absolute stamper ‘The Gardner’. Bovendien ook een staaltje van exquise songwriting en niet zomaar een “song about flowers”, zoals hij zelf beweerde.

Aan het eind van de avond vroeg de beminnelijke Zweed nog maar eens onze vergiffenis voor alle “sad, shitty songs” en beloofde ons op een vrolijke noot naar huis te laten gaan. Magie volgde toen hij Amanda van Idiot Wind uitnodigde voor het duet ‘Thrown Right At Me’ en tenzij Matsson een geniaal acteur is, meenden wij daar echt een verliefd koppel aan het werk te zien. Wanneer hij daarna ook nog eens biste met het breekbaar mooie ‘The Dreamer’ en ‘Kids on the Run’, waar de piano dit keer wel de juiste snaar raakte, werd de hele zaal muisstil en bleef het kippenvel ons nog een hele treinrit naar huis achtervolgen.